Het Lied van Heer Halewijn

Heer Halewijn zong een liedekijn,
al wie dat hoorde wou bij hem zijn.

En dat vernam een koningskind,
die was zo schoon en zo bemind.

Zij ging al voor haar vader staan:
"Och, vader mag ik naar Halewijn gaan?"

"Och neen gij, dochter, neen gij niet!
Die derwaart gaan en keren niet."

Zij ging al voor haar moeder staan:
"Och, moeder mag ik naar Halewijn gaan?"

"Och neen gij, dochter, neen gij niet!
Die derwaart gaan en keren niet."

Zij ging al voor haar zuster staan:
"Och, zuster mag ik naar Halewijn gaan?"

"Och neen gij, zuster, neen gij niet!
Die derwaart gaan en keren niet."

Zij ging al voor haar broeder staan:
"Och, broeder mag ik naar Halewijn gaan?"

"'t Is mij al eens waar dat gij gaat,
Als gij uw kroon naar rechten draagt."

Toen is zij op haar kamer gegaan
en deed haar beste kleren aan.

Wat deed zij aan haren lijve?
Een hemdeken fijnder als zijde.

Wat deed zij aan haar schoon korslijf?
Van gouden banden stond het stijf.

Wat deed zij aan haren rok?
Van steke tot steke een gouden knop.

Wat deed zij aan heer keerle?
Van steke tot steke een peerle.

Wat deed zij aan haar schoon blond haar?
Een krone van goud en die woog zwaar.

Zij ging al in haars vaders stal
en koos het beste ros van al.

Zij zette haar schrijlings op het ros,
als zingend en klingend reed zij door 't bos.

Als zij te midden 't bos mocht zijn
daar vond zij mijn heer Halewijn.

"Gegroet," zei hij, en kwam tot haar,
"gegroet, schoon maagd, bruin ogen klaar!"

Zij reden met malkander voort
en op de weg viel menig woord.

Zij kwamen al aan een galgenveld;
daar hing zo menig vrouwenbe(e)ld.

"Mits gij de schoonste maged zijt,
zo kiest uw dood! het is nog tijd!"

"Wel, als ik dan hier sterven zal,
zo kies ik dan het zweerd voor al.

Maar trekt eerst uit uw opperst kleed,
want maagdenbloed dat spreidt zo breed."

Eer dat zijn kleed getogen was,
zijn hoofd lag voor zijn voeten ras.

"Gaat ginder in het koren
en blaast daar op mijn horen."

"Al in het koren en gaan ik niet,
op uwen horen en blaas ik niet."

"Gaat ginder onder de galge
en haalt daar een pot met zalve."

"Al onder de galge en gaan ik niet,
moordenaars raad en doen ik niet."

Zij nam het hoofd al bij het haar
en waste het in een bronne klaar.

Zij zette haar schrijlings op het ros,
al zingend en klingend reed zij door 't bos.

En als zij kwam ter halver baan:
"Schoon maagd, zaagt gij mijn zoon niet gaan?"

Uw zoon heer Halewijn is gaan jagen,
g'en ziet hem weer uws levens dagen.

Uw zoon heer Halewijn is dood,
ik heb zijn hoofd in mijnen schoot."

Toen ze aan haars vaders poorte kwam,
zij blaasde de horen als een man.

En als de vader dit vernam,
't verheugde hem dat zijn weder kwam.

Daar werd gehouden een banket,
het hoofd werd op de tafel gezet.
 





Uit oudere tijd zijn weinig gedichten bewaard gebleven. Bij de enkele die de eeuwen overleefden dringt zich de vraag op: waarom bleven deze gedichten bestaan terwijl tientallen, misschien honderden, andere gedichten verloren gingen? Er moet een diepere bodem in het gedicht te vinden zijn, iets zo algemeens dat mensen erdoor geroerd werden, innerlijk erdoor getroffen, zozeer dat ze het nooit vergaten.

Van het gedicht Het Lied van Heer Halewijn bestaan verschillende versies. De oorspronkelijke vorm kennen we niet meer, kunnen we zelfs niet reconstrueren. Waarschijnlijk waren alle strofen twee-regelig, en (meer dan) waarschijnlijk is de laatste strofe er achteraf bijgevoegd.
We kennen van heel wat oude gedichten de auteur niet, kunnen slechts bij benadering schatten uit welke tijd het gedicht stamt en uit welke streek. Vermoedelijk is Het Lied van Heer Halewijn een Westvlaams gedicht, het lijkt niet Brabants en zeker niet Limburgs. Maar dat lijkt me van minder belang dan de tijd waarin het ontstaan is. Het kan moeilijk anders dan uit de riddertijd stammen, maar die heeft eeuwen geduurd zodat we aan zulke datering niet veel hebben. Veel nauwkeuriger kan het nochtans niet omdat we niet over voldoende bronnen - afschriften uit de oude tijd - beschikken.
Het thema, namelijk het overwinnen van aantrekkelijke doodskrachten - gesymboliseerd in Halewijn - door sterke, voornamelijk jonge levenskrachten gesymboliseerd in de koningsdochter, doet vermoeden dat het verhaal zeer oud is, misschien teruggaat op Germaans gemeengoed, oude verhalen over bosgeesten en tovenaars. In de bijbel staat een verhaal dat enige gelijkenis vertoont met het hier verhaalde. De Joodse vrouw Judith had bij de belegering van Betulia het middel gevonden om haar volk te bevrijden. Ze ging naar Holofernes, de opperbevelhebber van het Assyrische leger, verleidde hem met haar schoonheid en doodde hem. Veel meer dan een verre gelijkenis is er niet, het verhaal over Judith en Holofernes is eerder een stuk geschiedenis, het verhaal over Halewijn eerder een mythisch verhaal met in zijn diepere kern algemeen menselijke levensdrang.

Het gedicht is pas in de negentiende eeuw opgetekend. We kunnen dus even goed de spelling grotendeels vereenvoudigen. We laten de overtollige versregels weg, in sommige versies tellen sommige strofen drie in plaats van twee versregels. Verder in de verklaring nemen we die wel op, ze spelen een geringe rol, ze zijn zoals de slotstrofe zeer waarschijnlijk latere toevoegingen. De toegevoegde slotstrofe is zo bekend en typisch dat we ze niet willen weglaten.

Vooreerst is hier sprake van een Heer Halewijn die een verleidelijk lied zingt, een onweerstaanbare melodie, want al wie dat hoorde wou bij hem zijn. Er zit een beperking in deze zin: er staat niet dat iedereen bij hem wil zijn, er staat uitdrukkelijk: Al wie dat hoorde wou bij hem zijn. Dat kan betekenen dat sommigen het lied niet vernemen, of er niet gevoelig voor zijn. Uit het gedicht weten we dat de koningsdochter die het lied gehoord heeft helemaal niet alleen woont. Wel wordt zij door het zingen van Halewijn aangetrokken, zij verneemt zijn lokroep, de anderen blijkbaar niet. Het onderscheid is wel subtiel: bewust of onbewust wordt hier nadruk gelegd op het verschil in gevoeligheid onder de mensen, verschil in houding tegenover de ons omringende realiteit, de wereld. Sommigen zijn niet tot reactie geneigd, eerder tot ondergaan, tot laten gebeuren en afwachten. Slechts hier en daar staat iemand op en verzet zich, neemt het op zich de wereld te dwingen naar zijn hand, in dit speciale geval zeer letterlijk een hand, die van de koningsdochter, de hand die Halewijn het hoofd afslaat.
Het tweede gegeven is die koningsdochter. Dat is een sprookjesmotief en heel sprookjesachtig klinkt dat ze zo schoon was en welbemind.
         Dat hoorde daar eens konings kind,
         die was zo schoon en welbemind
.
Zoals de sprookjes zelf is het koningsmotief zeer oud, behoort tot wat Carl Jung archetypen noemt, dat zijn over de gehele mensheid verspreide richtinggevende beelden waarop de mens zich oriënteert, zoals het vuur, het water, de tovenaar, de heks, de held, het goddelijk kind, de Moeder, de gestorven en opgestane godheid. Zoals u weet, dat zijn elementen die in oude verhalen en overleveringen zeer vaak voorkomen.
De koningsdochter gaat niet zo maar uit zichzelf op weg naar Halewijn, ze zoekt blijkbaar steun, een houvast, een toelating. Haar herhaalde vraag of ze naar Halewijn mag gaan klinkt als het gezeur van een kind dat door niet aflatend aandringen tenslotte zijn zin weet te krijgen. Op haar bede:
        O vader, (moeder, zuster, broeder,) mag ik naar Halewijn gaan?
antwoorden haar vader, moeder en zuster zeer verontrust in een identieke, bezwerende formule:
         O neen, gij dochter (zuster), neen gij niet,
         die derwaert gaan en keren niet
!
Dat duidt wél aan dat iedereen Halewijns reputatie kent, ook als ze zijn lied niet persoonlijk vernemen.
Van de bekommernis om het welzijn van de koningsdochter heeft alleen haar broer geen last. Hij antwoordt haar:
        't Is mij al eens waar dat gij gaat
        Als gij uw eer maar wel bewaart,
        en gij uw kroon naar rechten draagt
.
Hij ziet alleen haar verplichtingen tegenover het koningshuis, het bewaren van haar eer en haar koninklijke waardigheid.
Het lied van Halewijn had een zo sterk betoverende uitwerking op wie het hoorde dat deze koningsdochter het verbod van vader en moeder in de wind sloeg. Je zou denken dat een koning vroeger toch iets te zeggen had en de koningin misschien ook.
Dan zien we dat de koningsdochter zich omstandig gereed maakt voor haar bezoek aan Halewijn. Daarbij valt bijzonder sterk op dat de koningsdochter op geen enkele manier onder de indruk is van wat haar vader, moeder en zuster haar op het hart drukken, hun bezweringsformule heeft geen enkel effect. Als haar broer haar zijn toestemming geeft, is voor haar het hek van de dam.
Nogal breedvoerig wordt ons uitgelegd hoe ze zich uitdost.
        Wat deed zij aan haren lijve?
        Een hemdeken fijnder als zijde
.
De nadruk op het kostbare is groot. Zijde was heel duur, en het hemd dat ze draagt is van nog betere kwaliteit, het is fijnder als zijde.
        Wat deed ze aan haar schoon korslijf?
        Van gouden banden stond het stijf.

Dat korslijf zet ons voor moeilijkheden. De vraag is of het een oud woord is of een tamelijk recent. Het zou oud moeten zijn omdat het gedicht uit oude tijd stamt; maar die gedichten werden mondeling voortgeleerd en soms werd later een stuk eraan toegevoegd of werd een woord door een ander woord vervangen omdat niemand het eerste nog verstond. Als het een oud woord is, mag het ons niet aan corset doen denken, het is oorspronkelijk - waarschijnlijk - de naam van een van pelswerk gemaakt of met pels bekleed opperkleed. Hier in de tekst hebben we vermoedelijk met een sprookjesachtige overdrijving te doen. Een opperkleed van gouden banden is niet alledaags, maar ook niet praktisch. Bij banden denken we trouwens niet aan kleed, wel aan corset waaraan we zogezegd niet mochten denken. Korslijf of keurslijf is naar de vorm een eigenaardig woord, het zegt eigenlijk twee keer hetzelfde: keurs komt namelijk van het Franse woord corps. Keurs-lijf is in feite lijf-lijf. In de betekenis lijfje, onderlijfje is het niet oud, die betekenis zou maar tot de 16de eeuw teruggaan. De opsomming van kledingstukken die de koningsdochter aantrekt, schijnt erop te wijzen dat hier geen opperkleed kan zijn bedoeld. Wat het wél is, is moeilijk uit te maken. Het meest waarschijnlijke lijkt dat we aan een soort van blouse moeten denken, een dameslijfje, een bolero allicht. Er volgt immers:
        Wat deed zij aan haren roden rok?
        Van steke tot steke een gouden knop.

Het lijkt onwaarschijnlijk dat ze eerst een opperkleed aantrekt dat stijf staat van gouden banden en daarna gouden knopen aan haar rok aanbrengt. Of we moeten de poëtische vrijheid zeer vrij opnemen. Dat de rok rood is, wijst nog maar eens op de rijkelijkheid van haar kleding en tooi. Rode kledij mocht alleen door koningen en bisschoppen worden gedragen. In de Middeleeuwen droeg je kleding van snit en kleur volgens de stand waartoe je behoorde. De kleurstof voor de mooie rode tint was toen moeilijk te krijgen, dus zeer duur, dus voorbehouden voor de hoge stand.
        Wat deed zij aan haren keerle?
        Van steke tot steke een peerle.

Een keerle is de naam van een lang overkleed of opperkleed, zowel voor mannen als voor vrouwen. Het woord is van onbekende oorsprong. Hier is dat kleed rijkelijk met parels versierd.
Als het woord korslijf reeds een opperkleed was, een jurk, dan trekt die koningsdochter twee jurken aan. Dat is al te bedenkelijk. Alles wijst erop dat er met dat korslijf wat aan de hand is geweest.
        Wat deed zij aan haar schoon blond haar?
        Een krone van goud en die woog zwaar.

Van de koningsdochter wisten we al dat ze schoon was en welbemind. Hier vernemen we dat ze blond is, een Germaans type, ze kon wel uit het Niebelungenlied gestapt zijn. Dan schrik je er niet van dat ze in haar vaders stal het beste paard kiest:
        Zij ging al in haars vaders stal
        en koos daar 't beste ros van al.

Niet zo maar een paard, dat heette peerd in het oude Nederlands, een ros was een ridderpaard, een Germaans woord dat nog in het Duits bestaat en in het Engelse woord horse.
Heel mannelijk gaat ze te paard zitten:
        Ze zette haar schrijlings op het ros.
De nadruk die hier op het mannelijke gelegd wordt, zit in het woord schrijlings, wat wil zeggen dat ze te paard zit met een been aan elke kant van het paard. Adellijke dames reden in amazonenzit: met de beide benen aan één kant van het paard. Er is iets mannelijks aan sommige vrouwen uit sprookjes, maar niet uit sprookjes alleen, ook uit de geschiedenis, Jeanne d'Arc is daarvan een voorbeeld. Het is ten andere bekend dat bij sommige Germaanse stammen vrouwen in mannenklederen aan de strijd deelnamen. De Romeinen waren zeer verbaasd toen ze vaststelden dat hun Germaanse krijgsgevangenen niet allemaal mannelijk waren.
        Ze zette haar schrijlings op het ros,
        al zingend en klingend reed ze door 't bos.

Ze trekt niet stiekem en in alle stilte het bos in, ze wil opgemerkt worden, weet wat ze wil.
        Doen ze dat bos ten halven kwam,
        Halewijn saan haar tegenkwam.

Midden in het bos komt Halewijn haar tegemoet. En volgens die versie verandert het beeld dat van de koningsdochter gegeven was:
        Hy bond zyn peerd aan eenen boom
        de jonkvrouw was vol angst en schroom
.
Dat verwondert een beetje na al het manhaftige van dat zingend en klingend en schrijlings op het ros. Een mogelijke uitleg ervoor is dat het een beetje komedie van haar blijkt te zijn, ze speelt de rol die Halewijn van haar verwacht.
        "Gegroet, zei hij, gij schone maagd.
         Gegroet, zei hij, bruin ogen klaar!
         Kom, zet u hier, ontbind uw haar!"

Dat ontbinden van het haar was een teken van vertrouwelijkheid. Dames liepen niet met loshangend haar. De middeleeuwse kapsels voor dames van hogere stand waren vaak ingewikkeld. Het komt me voor dat hier meer de nadruk wordt gelegd op de onderdanigheid. Een vrouw met loshangend haar heeft wat minder krijgshaftig uitzicht. Dat klinkt in de volgende verzen door:
        Zo menig haar dat zij ontbond,
        zo menig traantje haar ontron.

De dichterlijke overdrijving is niet gering, de tranen moeten gestroomd hebben.

Een andere versie van het gedicht vertelt de ontmoeting in enigszins gewijzigde omstandigheden, namelijk:
        Als zij te midden het bos mocht zijn,
        daar vond zij mijn heer Halewijn.

        "Gegroet", zei hij, en kwam tot haar,
        "Gegroet, schoon maagd, bruin ogen klaar.

In deze versie bindt hij zijn paard niet aan een boom, zij ontbindt haar haar niet en er valt geen enkel traantje.
Daarop volgt in de twee versies:

        Zij reden met malkander voort
        en op de weg viel menig woord.

Dat praten met elkaar is heel mooi aangeduid. Veel belangrijks werd er blijkbaar niet gezegd, we vernemen het althans niet, het was het vermelden niet waard. Dan slaat de stemming weer om.
        Ze kwamen al aan een galgeveld,
        daar hing zo menig vrouwenbeeld.

Pas dan toont Halewijn zijn ware gelaat.
        Alsdan heeft hij tot haar gezeid:
        "Mits gij de schoonste maged zijt,
        zo kiest uw dood! het is nog tijd."

Het sarcasme contrasteert met Halewijns hoofse manier van groeten bij de ontmoeting. Maar dan ziet de koningsdochter haar kans. Om te beginnen zegt ze dat ze door het zwaard wil sterven.
        "Wel als ik dan hier kiezen zal
        zo kies ik dan het zwaard voor al.

Door het zwaard sterven was een minder oneervolle dood dan door verhanging omkomen. Plebeïsche schurken werden opgeknoopt, edelen onthoofd.
        Maar trekt eerst uit uw opperst kleed,
        want maagdenbloed dat spreidt zo breed,
        zo 't u bespreidde het ware mij leed.

Er zit een sarcastische toon in die laatste zin, een antwoord op het sarcasme van Halewijn. En hij loopt in de val.
        Eer dat zijn kleed getogen was,
        zijn hoofd lag voor zijn voeten ras
        zijn tong nog deze woorden sprak:

Tweemaal geeft hij de koningsdochter een opdracht die zij weigert uit te voeren. Er steekt onraad in wat hij haar oplegt:
        "Gaat ginder in het koren
        en blaast daar op mijnen horen
        dat al mijn vrienden het horen!"

en:
        "Gaat ginder onder de galge
        en haalt daar een pot met zalve
        en strijkt dat aan mijnen roden hals!"

Het antwoord bestaat uit sterke negatie van het gewenste, een beetje triomfantelijk zelfs, met de toevoeging: Moordenaars raad en doen ik niet. En nu is alles weer even mannelijk als tevoren:
        Zij nam het hoofd al bij het haar
        en waste het in een bronne klaar.

        Ze zette haar schrijlings op het ros,
        al zingend en klingend reed ze door 't bos.

Het valt op dat in gedichten uit die oude tijd herhalingen niet vermeden werden waar het om soortgelijke omstandigheden te doen was. Als de koningsdochter voor haar vader, moeder, zuster of broer staat, vraagt ze in identiek dezelfde bewoordingen of ze naar Halewijn mag gaan. Zo trekt ze zingend en klingend het bos in, en met dezelfde bewoordingen wordt gezegd dat ze terugkeert.
Dan ontmoet ze Halewijns moeder. Als die haar vraagt of zij haar zoon niet zag gaan, kan ze niet anders dan haar triomf bijna uitschreeuwen:
        "Uw zoon Heer Halewijn is gaan jagen,
        g'en ziet hem weer uws levens dagen.

        Uw zoon Heer Halewijn is dood,
        ik heb zijn hoofd in mijnen schoot,
        van bloed ziet mijne voorschoot rood."

Dat de koningsdochter ook een voorschoot had meegebracht staat nergens vermeld, we kunnen allicht haar kleed voor voorschoot houden. Wel draagt ze dat hoofd in haar schoot alsof ze het koestert, het is een kostbaar bezit geworden dat ze niet als iets toevalligs meedraagt, niet als iets bijkomstigs, maar als een dierbaar wezen, een kind van haar eigen bloed.
Stoer keert ze naar huis terug:
        Toen ze aan haars vaders poorte kwam,
        ze blaasde de horen als een man
.
Waar we het vroeger uit de woorden moesten distilleren, staat nu uitdrukkelijk vermeld: als een man.
        En als de vader dit vernam,
        't verheugde hem dat ze weder kwam.

Met het woord vader kan moeilijk de vader alleen zijn bedoeld. Allicht verstaan we daaronder ook de moeder, zuster en broeder. Subtiel is het gebruik van het woord weder kwam. Het duidt aan dat haar ouders wisten dat ze was weggegaan.
Om de triomf volledig te maken besluit het verhaal met de - eigenlijk barbaarse strofe -:
        Daar werd gehouden een banket,
        het hoofd werd op de tafel gezet.


Merkwaardig is dat deze laatste strofe - met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid - niet origineel is. Op welke manier ook bekeken, die zin staat volkomen buiten de sfeer, het gegeven, de strekking, de uitwerking, de ernst van het gedicht. Dat brengt mee dat verklaringen over het gedicht die mee hun sterkte uit die laatste zin halen, dadelijk een beetje verdacht aandoen. Alhoewel anderzijds de volksvinding juist die zin kan toegevoegd hebben om de kernreden voor de algemene interesse voor dit gedicht sterk in het licht te zetten.

De laatste zin wijst erop dat het om dat hoofd te doen was. Er wordt niet meer over Halewijn gesproken, alleen het hoofd telt nog. Natuurlijk is dat het symbool voor de gehele Halewijn, maar het wordt meer dan dat. Hier wordt een triomf gevierd over iets wat de persoon Halewijn overstijgt. Dat duidt aan dat we in het gedicht naar andere elementen op zoek moeten, precies die elementen die van dit gedicht een zo apart geval maken dat het in de mensen hun geheugen blijft hangen ook als heel veel daarrond verloren gaat.

Even hadden we al aangeduid dat Halewijn een doodskracht is: hij vernietigt wat hij aanlokt. Merkwaardig genoeg is hij aanlokkelijk: wie zijn lied hoort, weerstaat er niet aan, wil bij hem zijn, wil erbij zijn. Halewijn is ratio, is de verlokking van het denken dat alles stuk denkt, ook gevoelens. Halewijn toont tegenover de koningsdochter geen gevoel, zelfs geen begeerte, hoewel ze zich mooi gemaakt had met het vooruitzicht hem te ontmoeten. Bij alle intimiteit die kan spreken uit: ontbindt uw haar staat er daarna maar al te duidelijk dat de koningsdochter maagd is gebleven. Halewijn is uitsluitend de expert van de vernieling:
        Mits gij de schoonste maged zijt,
        zo kiest uw dood! het is nog tijd
.
De koningsdochter spreekt zelf nadrukkelijk over haar bloed als maagdenbloed.
Halewijn is geen verleider, hij lokt jonge vrouwen slechts aan om ze te doden. Datgene waar het hem om te doen is, is het vernietigen van de levensmogelijkheid, je zou bijna zeggen van het levensprincipe. Halewijn is een en al hoofd, te vergelijken met de Iwan uit De gebroeders Karamazof, de super-rationalist die alle gevoel en menselijkheid stuk redeneert.
Wie het lied van Halewijn niet horen, zijn niet in staat om te reageren tenzij door angst of onbezonnenheid zoals enerzijds haar ouders en zuster, anderzijds haar broer. Tegenover een doodskracht als Halewijn zet je niet onverschillig wat. Het sterkste wat je ertegenover kunt plaatsen is het gemoed, het jonge beloftevolle leven en wel het vrouwelijke, het in potentie leven dragende, leven barende, het reëel creatieve, alles wat leven en toekomst bezit.
Al die levenskracht wordt gesymboliseerd in de koningsdochter. De koning is de incarnatie van wijsheid, waarheid, schoonheid, en symbool daarvan is de kroon. Het is een gekroonde koningsdochter die naar Halewijn op zoek gaat, zij heeft van haar vader de waardigheid én de tekens van die waardigheid overgenomen. Daarin wellicht verschilt zij van haar ongelukkigere voorgangsters: dat zij voor zichzelf voor rigoureuze emancipatie heeft gekozen: ze kroont zichzelf, ze rijdt Halewijn gekroond tegemoet.
        Wat deed zij aan haar schoon blond haar?
        Een krone van goud en die woog zwaar.

Dat in het gedicht de emancipatiegedachte niet de voornaamste rol speelt, is duidelijk hoewel ze geenszins onderschat mag worden. De koningsdochter is niet eropuit getrokken zonder toelating te vragen al is die grotendeels een excuus of oogverblinding. Ze rijdt te paard en blaast de hoorn zoals een man. Het is te veel om niet op te vallen. Anderzijds is de verwijzing als een man verraderlijk, een verwijzing blijkbaar naar de grotere begaafdheden van of de grotere bewondering voor het mannelijk geslacht.
Als ze elkaar ontmoeten, Halewijn en koningsdochter, doodskracht en levensmoed, ratio en verinnerlijking, dan blijft ratio onbewogen op zijn onaantastbaar standpunt: hij verwacht alles van zijn hoofd. De koningsdochter daarentegen is soepel, ook in haar manier om zich voor te doen, ze weet Halewijn om de tuin te leiden met haar tranen. Zij, de levenskracht, raakt hem precies in zijn onbuigzaamheid, in zijn trots: het hoofd, de almacht van het intellect, wordt afgeslagen. De koningsdochter die haar hoop gevolgd is, de vrijgevochtene, de geëmancipeerde vrouw die haar ouders en familie niet miskent, maar duidelijk haar eigen weg weet en resoluut daarvoor kiest, zij, die beeld is van vrijheid en hart, kortom van leven, zij overwint bijna moeiteloos de pretenties van de kille ratio.
Een groots feest wordt gevierd, beeld voor het leven dat overwonnen heeft. Dit feest is een beeld van het leven, maar dan leven dat niet tot wildgroei kan leiden, geen leven met een scheppingskracht die aan de onoverzichtelijkheid van een oerwoud ontstaan moet geven of aan de onbewoonbaarheid van een rationeel overzichtelijke woestijn. Soms willen de uitersten van door doodsdrift bezeten ratio de overhand behalen. Bij het grote levensfeest zorgen de creatieve krachten in de mens voor opwellingen vanuit zijn diepste wezen, opwellingen die in zijn diepste wezen organisch geankerd liggen. Die opwellingen zijn het die de nauwkeurigste berekeningen van de ratio omtrent het overwinnen, het overstijgen, het te boven gaan van het menselijke - dat betekent impliciet de vernietiging van het menselijke - het hoofd afslaan.
        Daar werd gehouden een banket,
        het hoofd werd op de tafel gezet.



Aanduiding van de levenskrachten en doodskrachten in dit gedicht dank ik aan René Smits, ere-rijksinspecteur Kunstonderwijs, in zijn boek: Pleidooi Kunstonderwijs, vzw. Codibel Ed. 1985, p. 141




Dr. Fa Claes

Terug naar Index