F A     C L A E S










                O P E N    D O E K

                     B O E K    D I C H T




                                                                                                                                                                Voor Agnes










 

I N H O U D

          Paginanummering
          van de uitgave in boekvorm


Rijkdom 7

ZELFPORTRET   VAN   DE   ANDER

Aanblik 11
Achtergrond 12
Familietrek 13
Oorsprong 14
Concert 15
Wonen 16
Atelier 17

IN   DE   COULISSEN   VAN   DE   DAG

Geboorte 21
Wachters 22
Ontwaken 23
Allegro 24
't Ebdiep 25
Vriendelijk huis 26
Stil huis 27

IN   ONGELOOF   GEKNIELD

Inzicht 31
Te laat 32
De weke uren van de nacht 34
Moment van troost 36
Draagwijdte 38
Nacht bij maanlicht 40

NEEMT   U   IETS   HOGER   PLAATS   s.v.p.

Vertroosting 43
Perspectief 44
Melancholie 46
Labyrint 47
Galm 48
En wij? 49
Illusie ultiem 50

ZONLICHT   IN   WIJNGLAZEN

Aanzet 53
Lelie, lavendel 54
Mist 55
De hand op het hart 56
Belofte 57
Gaan 58
Heilige waanzin 59

BUITEN   NAAM   EN   HORIZON

Expiratie 63
Exterminatie 64
Gezocht: troost 65
Denkend 66
Geloof 67
Eenzaamheid 68
Overstap 69

ZALIG   DIE   NIET   WORDEN

Aanwezig afwezig 73
Transparantie 74
Huis 75
Licht 76
Profetie 77
Nabijheid 78
Verrukkelijk bestaan 79
Kwantumrealiteit 80
Overtuigen 82
Onaangekondigd bezoek 83
Ik honderden 84

GRAAG   NAAR   HET   DAKTERRAS

Trilogie: Hooglente, Jij, Een wond, voorzichtig 87
Schittering 90
Water 91
Eindelijk 92
Alfa en omega 93
De grote zon 94
Wolken 95



D / 2006 / Fa Claes, auteur - uitgever








R IJ K D O M


Ach, de rijkdom van de taal en al die andere talen
het is de rijkdom van de sterrenhemel
vol onbereikbare verten en vragen
en wat heb je daaraan.

Dat hele universum is een lege hand.
Je komt een bedelaar tegen
en al wat je kunt bieden
is je lege hand.

Stel maar dat je die bedelaar was.
Stel maar? Stel niets.
Jij bent die bedelaar!
Kijk naar je leeg gebleven leeg blijvende hand.








ZELFPORTRET    VAN    DE    ANDER

Voor Frida en Hubert




A A N B L I K


Het is winter en zomer geweest,
zachte dagen die met uitgestrekte hand
ons offers brachten. Wij zaten eromheen
en proefden de wijn, de kaas,
het brood, de kruiden. Warmrood
de vruchten en vreugden, de jubel
van lief en geliefde, de triomf van
bekrachtiging, kinderen, onze kinderen,
mensen een stap verder dan wij.

Het is oorlog en vrede geweest,
Rusland heeft in brand gestaan,
Japan scheurde het oosten stuk,
Duitsland barstte van trots en
brak kapot in ruïnes en lijken.
De wereld, de mensen, ze zijn
overal Stalingrad, Hiroshima,
Dresden, Auschwitz, Ruanda.
Vrede geweest? Een stervende slaaf.

Wij hebben alles doorstaan
en zie je dat aan onze ogen?
Voor geen mens sla je ze neer,
geen mens kan om wettiging vragen.
Achter ons ligt het braakland leven,
de barikaden, de rode vlag. Wij,
wij tonen de wereld, de mensen, visie,
vooruit. Kijk, zeggen wij, hoe wij kijken.
Wij zien onszelf beslist in het gezicht.



A C H T E R G R O N D


Hubert, manlief, het is niet moeilijk om te zeggen
wat je voelt als je voor je werk staat,
voor je zelfportretten.
Het is absoluut niet moeilijk
om te zeggen wat ik voel,
om te zeggen wat ik voel op het gezicht van anderen
die je gezicht bekijken.

Twintig keer kijkt Hubert je aan,
aandachtig, belangstellend, vriendelijk,
toegeeflijk, attent, charmant
en parmantig omdat hij dat allemaal weet
en het niet wil verraden
tenzij aan de spiegel, dat is
aan zichzelf. En hij verraadt het
voor wie het wil lezen, wacht maar,
hij knipoogt zo gauw je niet kijkt.
Hij heeft je opgenomen in zichzelf
om zichzelf en wereld en alles
te kennen, te omvatten, te zijn.

Charmeur van het leven, van de kleur
en van wat kleur ons vertelt uit de achtergronden
van eeuwen en verten, dat onvertaalde begrip
voor de binnenkant van het zien,
het begrijpen, het voelen, het weten.
Doorzichtige beschouwer, Hubert,
de achtergrond is immens geluk.
Je voelt aan je gezicht je mondhoeken krullen,
de glunder voor het superieure,
de glimlach, het meesterwerk.



F A M I L I E T R E K


Heerlijk dat iedereen naar het penseel grijpt,
dat vader en moeder en dochters
hun drang naar kleur uitzingen
vierstemmig, luister, een kakofonie
vol verwantschap gelijk het intieme verband
tussen de windstreken, vluchtende greep,
kan het nog verder uit elkaar?

De wereld verbluft die in ons schuilgaat.
De eigen verbazing triomfeert over de nood
aan uitspraak, samen een drang die
het mes grijpt, meester, het penseel.

Aan alle kanten breekt kleur los,
het eerste licht van de morgen, van wereld,
van leven in ons dringende, zoekende hart
in de eeuwen en verten
totdat het uitbreekt
in de schijngevechten van Hubert,
in de toefluisteringen van Frida,
in de visioenen van Lily,
in de vonnisduiding van Ingrid.

Dwazen die denken
dat het niet nieuw of niet echt is.
Het scheppingsonweer voorbij, de grond
geurt ozon, bladgroen, en proef:
zoals wij kijken is het nog nooit gezegd.



O O R S P R O N G


's Morgens, het venster open,
we lachen naar de plekken zon.
De schaduw, we zien hem,
we jagen hem weg.

Zon op de dahlia's,
wind in de struiken,
zilver de onderkant van de blaren
goud in alle kleur bovenop.

Of dat de wereld wel is?
Wat zin heeft het dat te vragen.
Iedere streep verf verraadt
hoe wij de wereld verstaan.

In alle tinten springt hij
ons in 't gezicht. Moeten
wij dan ook nog vragen
vanwaar het allemaal komt?

Zeg het, Hubert, we voelen je denken:
de kleur en de fleur kunnen maar
uit één kern komen, de enige beste,
recht uit ons hart.



C O N C E R T


Al die facetten, Frida, Hubert, wijs ze aan,
doe ze één voor één opstaan
de solisten van het kleurorkest.
Het rood, het koper, het klettert
tegen het slagwerk in, dat aardegroen.
Het geel van klarinetten, het lichtpaars
van de fluit, het roze van een altviool,
het nachtblauw van de cello's
bij het wit getrippel van de piccolo.

Groeten. De dirigent komt aan.
Een tik met het penseel, een stip.
Nog twintig stippen en een brede streek
over het doek. Een lange noot,
het noodgehuil van horens en van wolven,
de verre dood karmijn en indigo,
laat het de achtergrond.
De levenskleuren moeten zingen hun
gemengde tinten met een spikkel goud,
een streep doorschijnend zonlicht in de kier
van de bijna gesloten, bijna open deur.

Het doek een zaal vol klank, stalles,
parket, parterre, de balkons volzet.
Tot in de hoeken de schakering
feilloos. Het geluid voltooid.

Ineens is alle kleur publiek dat opspringt
enthousiast, en dat hartstochtelijk
zijn jubel zingt, orgelpunt, mateloos.



W O N E N


Niet meer in huizen, zoveel mensen
kleven in hokken, verzorgde, propere
krochten, kale kamers, steriele,
vol praktische, vierkante, zielloze kasten
en tafels en stoelen; en de zetel waar je
gaat in zitten is antiseptisch correct.

Een opgedirkte hangklok, een schilderij
waar de namaak afdruipt tot op de grond,
een zoldering die op je hoofd valt,
tapijten die alleen hun prijs tonen;
een haard zonder vuur,
een hart zonder slag.

Alles ontbreekt, al het leven,
de geur en de warmte van nest;
je kunt aan hun huis niet zien
dat zij het bewonen, het kon
hun buurman zijn, hun collega
van op het werk, of de eerste de beste
met stropdas en blinkende schoenen,
hun soortgenoot, de doorsnee-man,
de doorsnee-vrouw met hun doorsnee-
gevoel, met hun gebrek aan tijd
en hun obsessie: geld.

Ze zijn uithuizig in hun huid,
braakland in hun gedachten.



A T E L I E R


Een huis afzijdig, de deur wat weggestopt.
Leg af wat ze wereld en leven noemen,
dat vechten voor macht, geld, pretentie,
gooi weg wat de wereld ons opdringt,
dat ellebogenwerk, het onderduims gekonkel
en gekuip. Sta in je lengte recht.
Al wat gewicht is valt van je af en kijk:
je glimlacht bij het bukken als je binnengaat.

Bukken? Geen sprake van. In een huis gelijk
een paleis bukken wij voor geen mens.
Een huis gelijk een omarming, warmte
onze omarming. Onder de balken zoldering
het nest om je te schurken verrukkelijk
tegen je lief, je minnares, je fabeldier,
de aanbeden vrouw. Bukken? In elke kamer
knielen we, verering een extase,
het groeiende doek, de greep
naar het palet, naar verf, naar kleur.

Het huis een atelier. Het werkhuis
van liefde, van verlangen en geven,
opstapeling van gedachten, keurplaats
van willen en wensen, van bereiken,
van afstaan. Ga maar, neem vreugde mee.
Voor onderweg. Voor wie op weg zijn.
Zoeken kan overal. De wereld is
vindplaats. Het huis: het atelier
van wie duurzaam scheppen aan zelf.









IN DE COULISSEN VAN DE DAG



G E B O O R T E


Gelijk een ongelezen bericht
dat zegt: ik breng de nieuwe morgen,
de nieuwe kleur; als je me opent
ben ik nooit meer ongelezen.

Van elk bericht
is alles onbeduidend
tot je het ontsluit en verbaasd
de morgenbries hoort in de kruinen
en je ziet de lichtlabyrinten
tussen stammen en kreupelhout,
lokroep, omen, mistig nog, schimmig
voor je nauw ontwakend oor en oog.

Dat was het ongelezen bericht
nog vóór de morgen ontstond,
toen het blad, het doek, leeg was,
toen het voorgevoelen de nachtdag
op een kier zette, toen van heel ver
de eerste sprankel splinterlicht
de twijfel naar vermoeden,
vermoeden naar verlangen,
verlangen naar verwachting,
naar vervulling dreef.

Zo kijk je naar het lege blad, het lege doek,
het onbegonnen jaar; je hoort: ik kom,
ik kom, ik ben de nieuwe morgen.



W A C H T E R S


Gelijk de wachter die buitenkwam
uit het paleis van Knossos,
hij zag de vrede over de stad en oneindig
het blauw van de lucht, hij keek, hij wist:
dit is een stralende morgen;

gelijk de wachters in Babylon
het grauw van de ochtend zagen
verhelderen tot oranje en geel en
schreeuwerig rood en groen van de tempel
met diep daarboven oneindig blauw
het uitspansel uitgespannen
van einder tot einder;

gelijk de wachters in Thebe
die aan de horizon lichtschijn vermoedden
en fluisterden naar elkaar: de dag
komt aan... en het duurde nog uren
voor de muur van de tempel
kleurde van zon;

zo, in de morgen van toen gelijk
in de morgen van alle tijden,
zindert de uitgestrektheid
in alle eeuwen en verten
van leven dat vandaag
in één enkel sprankeltje licht
begint.



O N T W A K E N


Water, een wolk, gejaagd lopen,
het staat in geen letterteken,
niet in persoon, niet in tijd.

Aan alle kanten opdringende
golvende brij, een arm
die nog roept
een overvliegende vleugel
zwart van alarm.

Duizelruimte waaiert één twee
driedimensionaal.

Het wakker worden krimpt
een verward ik.

Alsof ik het weten wist
tel ik mijn onderbewustzijn
en verlies volledig verloren.



A L L E G R O


Was dat een meeuw die schreeuwde
of kraaide in de buurt een haan?
Het loom gevoel van een verleden warme nacht
tilt ons omzichtig uit de slaap.
Nog sterren tinkelen in weerspiegelend water,
flarden van droom luiden in het ver
geloei van schepen aan de kaai.

Gedachten gaan aan wal, vol van zichzelf
en andere gedachten, beelden, wensen,
ritmen van stroom en zee,
en wind die banen veegt door het heelal.

Plots uit de stilte van gordijnen springt de zon
met ketsende cimbalen en met
een daverende paukenslag van licht.

De koffie geurt en glimt gelijk de dikke
glimlach der Jamaicaanse op de folder.
Op de tafel in de zon ligt brood.

Allegro barbaro komt in acht kindervoetjes
van de trap. Stoelen schuiven, kopjes
rinkelen, en wij, één grote morgenzoen,
omarmen zon en wereld in elkaar.



'T E B D I E P    26 juni 2004

          Voor Nien en Hendrik


Aan de ene kant het water
aan de andere de spiegel,
dezelfde werkelijkheid, anders,
tweemaal verte die je niet zult vatten,
twee verten waarin je bent opgenomen,
elk die in zichzelf verdwijnt.

Het spiegelbeeld daartussen,
de mens aan de andere kant,
altijd die andere kant, geniet.
Hem spreekt zijn evenbeeld aan,
zijn vrienden, hem spreekt het brood
en de wijn de taal van engelen en mensen
en vriendschap en bereidheid
tot begrip voor het heerlijke eten,
de zorg voor dienen en schenken,

en daaroverheen het gesprek
dat de harten in de toonaard
van de niet geziene verten stemt,
van water en lucht in de nabijheid
van handen en gezicht
aan de overkant van de tafel,
de ander je spiegelbeeld, jezelf.



V R I E N D E L IJ K   H U I S

          Voor Jan Wauters


Hier is het, denk ik, hier is wonen goed.
Bomen, nauwelijks. Oprit, hoek en dan
die glazen deur, doorzicht, onthaal
en hal, het vriendelijke huis, glimlach
waarin je binnenschuift, warme jas voor
verkleumde, je pels, je nieuwe huid.

Je komt en ze lachen en ga toch zitten;
'kom, stil, laat gerust,' zeggen ze tegen de hond.
De porto is warm en rustig, een jager
na de jacht, mannelijk ruig, voornaam.
De blokhut, je droomt, de living
houdt zijn sluiers rond je; verre
meubels, weerschijn in ramen, lamplicht.
Wat is het, denk je, wat is wat me raakt.

Als je weggaat draag je ze mee, de warmte,
de gespreide wellust, het geluk van mensen
met elkaar, zingende klinkers en een hand
die dag zegt, en je kijkt om en wuift,
en je blikt midden in de glimlach van
lieve gezichten, de glimlach
van dat vriendelijke huis.



S T I L   H U I S


Hoever reiken je ogen,
je handen, je hart?

Je voelt,
het is als iets dat bestaat,
als het bestaat,
en waarom komt het
en vanwaar?

Niet vooruit, niet achteruit
en toch aan alle zijden.

Omademd in ruimte
ligt rust hier bewaard,
openheid
in het besloten huis,
dit hart, dit stil vertrouwen.









IN   ONGELOOF   GEKNIELD

Elegie voor Peter Cabus, componist



IN Z I C H T

                                Geschreven op het Allegretto van Peter Cabus
                                (Beginmethode voor Notenleer, 2de deel, nr 31 B)
                               


Als alles wegvalt blijf jij mij
heel de volzin van mijn zijn;
al gaat alles aan ons voorbij
als was het schijn,
leven draagt bewust zijn onvolprezen
diepste wezen
- liefste, weet toch: dat ben jij -
in mij.



T E   L A A T


Alles plots ver, plots vreemd.
Buiten schijnt zon,
de mezen roepen het in de hazelaar.
Geen warmte en geen licht
en nauwelijks geluid.
Alles ligt achter glas,
verleden dat niet meer raakt.

Het gaat niet goed. De dokter
liet verstaan dat andere middelen
- welke? - onafwendbaar zijn.
Aan alles hoor en zie je
dat de wending, - die
naar de goede richting -
niet bestaat.

We moeten er ons in stellen,
zegt hij, maar als hij ziet
dat zij plots rode ogen krijgt,
stromen zijn tranen over leed
dat hij voorvoelt voor haar
en over onmacht dat hij haar
die oceaan verdriet niet bespaart.

Ze slaan de armen om elkaar.
De wereld valt. Alleen de ander
telt, laat dat van nu af eeuwig zijn.
Schrijnend en schreiend
zoekt wanhoop troost.
Je schrikt als je beseft
dat je naar buiten kijkt.

De dagen lengen naar lente,
de mezen roepen het in de hazelaar.
Kijk: alleen leven telt. Ontsteltenis
overvalt: de tijd gaat door en
tijd en leven worden je ontnomen.
Alles plots ver, plots vreemd.
Ontzetting grijpt je keel en wurgt.



D E   W E K E   U R E N   V A N   D E   N A C H T


De avond en de uitputting.
Nacht schuift langzaam
door je hersens een vleug overmoed.
Het werkstuk dag is afgerond,
je legt het naast je, de voldane taak.
Glimlach, toch, weldadig leven.

Uren drijven van moeheid in slaap,
vage achtergrond onrust
waarover schimmen geluk
en twijfel. Wazig wandel je
langs jezelf, het zal wel gaan,
de hoop groter dan je vermoedt.

Plots loopt je kracht leeg, de laatste drup.
Je schrikt klaarwakker, gongslag
verbijstering terwijl je roerloos
ligt en wacht en hoopt:
nachtmerrie, laat mij ontwaken.
Bewustzijn grijpt je strot:
niks nachtmerrie, gedaan met leven.

Een botte slag. Je hoort angst
en ontzetting naast je komen staan
aan bed. Het donker grinnikt.
Dat niet, denk je krampachtig.
Ik moet mijn redelijkheid bewaren,
ik ben mens. Ik wil niet dat paniek
mijn hart en hoofd vertroebelt.

Ik wil niet. Het was altijd: ik wil wél.
Wat nu? Alles is schemerdonker.
Vroeger sloeg je triomfantelijk
het gordijn opzij. Nu schuif je het
open, benepen hart. Zonder compassie
toont licht alles waarvan je weet:
elke stap verder is nog meer verlies.



M O M E N T   V A N   T R O O S T


Zij, samen aan tafel, kijken elkaar aan.
Tussen hen in schuiven gedachten.
Hij denkt: hoe zal dat zijn als zij
- alleen in huis - alleen aan tafel gaat?
en jaagt direct zijn onmacht weg.
En zij: hoe moet dat zijn als ik alleen
aan tafel zit, alleen in huis? en zegt
pardoes: de krokus staat in bloei.
En denkt: hij was toen jong, kwam
niet langszij of joeg mijn bloed in bloei.
En ziet hem denken: ieder jaar
diezelfde lente, opstand, jeugd,
ik kreeg erectie als ik naar je keek.

Hij kijkt. Stilte hangt diafaan over
het ogenblik, een eeuwigheid geleden.

Er moet toch troost bestaan. Moeten we
daarnaar vragen? Alles is altijd: waarom
komt het niet als het nodig is?
Het lijkt of alle deuren dichtgaan,
er komt geen licht meer, geen lucht.

Troost? De moed bestaat erin dat je anderen
niet zegt hoe kwalijk je diepste put is
als hij dichtklapt boven je hoofd.
De slag verdooft. Het duurt een tijd
voor je een beetje wakker wordt. Het gaat
niet goed maar het gaat beter, vooral:
je hoopt dat het de ander beter gaat.

Het is eentonig, al dat denken
aan altijd hetzelfde. Er ligt een
confuse troep in je hoofd, een kluwen
soms, soms labyrint waar je niet
uit raakt. Dan, plots, is het beschutting,
geruststelling, bescherming, zekerheid,
het is vandaag nog niet, voor ons
liggen nog jaren, jaren. We duwen
het ongemak van overdenken weg.
Ineens de zon terug, aroma van lente.

Je hand. Kom, neem mijn hand.
Wij samen, voel, wij zijn elkaar.



D R A A G W IJ D T E


Het concert achter de rug, het podium
de lichten, het applaus.
De nasmaak leeft. Receptie met
in groepen luid gelach, gepraat,
kleuren van dames, glans en
keur van heren zelfbewust.
De hoogten van muziek, de hoogten
van genieting, stralende mens zijn wij
in zoveel mensen zoveel leven.

Het werk achter de rug, de concentratie.
Intense uren Blüthner, toonladders,
arpeggio's, triomfen, de lichtste drieklank
voert naar toppen, naar Brahms, naar Bartòk,
naar de droom van perfectie, zaligheid.
In de stilte hangt de lucht vol toon.
Luisteren nu. De aanslag, het tempo,
de zin van elke noot, zin van alle
noten samen, raak mij, raak mij aan.

Vreugde van componeren.
Elke gedachte komt, wirwar waarin
geluk, aandacht, keuze stilaan de lijn
naar verheerlijking volbrengen die ik
heb gewild. De jubel in mijn hart
en hoofd. Piano, saxofoon, tuba,
viool, elk instrument in elke tessituur
zegt zijn subtiel verschil en zet dat
naast en bij en in de omvang van
het volmaakte, het klinkende heelal.

Jubel in hart en hoofd. Zij kijkt mij aan.
Haar leven tussen de glans van toen
en het floers nu. Als ik haar ogen
vochtig zie, geef dat het van geluk is,
van triomf van liefde gelijk die straalt
uit de kinderen die ze wiegde,
het kleine leven dat zichzelf werd
en de geestdrift voortzet die wij destijds
op ons hadden genomen.

Hoe simpel is de eenvoud. Maar hoe
moeilijk om te zoeken. Toch staat
het ongecompliceerde leven, denken,
voelen ons het dichtst nabij.
Donker, ga weg. Breng de vertrouwde
geluiden van het huis en dat ik weet:
de morgen komt, de geur van koffie.
Achter gordijn: de straat, de wereld.
Naast mij: haar glimlach. Het wordt licht.



N A C H T   B IJ   M A A N L I C H T


Buiten, het donker lijkt kunstmatig,
mensen houden het in bedwang.
Aan de einder gloedschemer van stad,
wazig schijnsel in wolken, gedachten,
leven in een opgefokte kooi.

Alle stemmen ontbreken, het grote
verschil met bestaan. Niets dan
de roep van een uil, onbepaald,
de bijgeloof-aankondiging van de dood
vlakbij, te donker om hem te zien.

Geen kleur. De maan is wit, een soort zilver
zonder bodem, slechts boord, scherp getekend
hoewel in lijnen onvatbaar, te helder en
onmogelijk meer dan de zin die ze blinkt:
vertolking van niets dan oppervlak,

de kilte van licht. Daarin alleen te staan
met de vraag. Geen ding is ook maar schijn
van antwoord. Niets is wat het was, niets
wat het is, geen spoor van morgen. Schimmen
in tonen van grijs, imitatiebestaan.

De lucht ruikt naar begraafplaats. Alle lucht 's nachts
heeft de grijzende geur van gebrek aan leven.
Het is opzij gelegd, je neemt het nooit meer terug.
Wacht nog wat, de lucht schuift erover voorbij.
Wat blijft is treurnis, is rilling, is kilte,
het schimmenlicht van de maan.









NEEMT   U   IETS   HOGER   PLAATS
s.v.p.



V E R T R O O S T I N G


Dit is niet van de tijd, dit wonen
is niet hier maar aan de andere zijde
waar alles alles raakt.

Dit is niet van het nu en van
de wegen der mensen.
Ergens daarbuiten wandel je,

ongestoord, denken ze
en luisteren met dof oor.
En keer je ongaarne terug,

jij keert terug ter wille van hun
moeite die je kwelt:
hun eerste stap naar opgang.

Zo zint ons hart op dank
en troost. Maar ach, vanaf nu
worden de treden hoger, ieder jaar.



P E R S P E C T I E F


Je hoeft het je niet opnieuw af te vragen
tenminste niet vandaag.
Hoewel, ben je ooit met iets anders bezig?
Je trekt amper je ogen open of ze komen
van alle kanten aangeslopen, gekropen,
gewandeld, gelopen, gehaast.
Als ze hun plaats hebben ingenomen
sta je tegenover de slagorde,
de onafzienbare rijen,
en je hoort over hun stilte: val aan.

Op slag ben je onder de voet gelopen.
Je ligt, het gedaver gaat over je,
schokkende golven die de lucht
uit je longen slaan. Je snakt, je grijpt.
Voor je het beseft kantelt de torenbouw,
zakt in elkaar en duizelingwekkend
val je uit de honderdzoveelste verdieping,
een dwarrelend pak kleren dat lager
en lager stort en met hartkloppingen
uit het inferno van de nachtmerrie kruipt.

Ze dragen je niet meer, je benen;
de kracht viel uit je armen, ze hangen
tegen de grond. Lood ligt op je borst,
lood en zakken zand en karrenvrachten
uitzichtloosheid, tunnels duisternis
waar je niet doorheen komt, je geraakt
niet van je plaats. Waartoe dient zoveel
nutteloosheid? Voor je bekomen bent
heb je door moerassen en drijfzand
geploeterd en je voorgehouden dat
het maar droom is, dat je het echt
hebt gedroomd maar dat het niet
echt heeft bestaan.

Als zoveel verwarring je terneerslaat
waar haal je nog kracht om te vragen?
Nu hoeft het niet meer. Dulden
is wat nog rest, wachtzalen duldend verduren.
Tijd en alle problemen zakken over je
in elkaar. De laatste verschrikking.
Er rest je geen adem om onverschillig wat
te doen, om onverschillig wat te vragen.



M E L A N C H O L I E


Niet enige noodzaak in het verschiet.
Nergens iets anders dan verte en horizon
en alles daar voorbij
en eindeloze vertes verder
eindeloos.

De overtuiging leeft dat het nog verder gaat.
De overtuiging leeft dat het niet verder gaat.
De overtuiging leeft dat het misschien
niet verder gaat of misschien toch.
De overtuiging leeft dat dat niet kan.
De overtuiging leeft dat het niet anders kan.
De overtuiging leeft.

Daarbovenuit juicht het geloof
dat het zalig is om niet te zien.

Houd daarom het vermoeden aan?

Maar noodzaak is in eindeloze vertes
verder niet in het verschiet.



L A B Y R I N T


Zullen we niet terug naar binnen gaan,
ik bedoel in ons zelf, die doolhof
is meer dan ruim genoeg.

Ze moeten wel komen kijken,
ze moeten komen met hun hoofd omhoog,
hun ogen vol oefening om te zien
en hun verstand op een kier, nog een beetje
en de deur zwiert helemaal open.

En dan nog. Als we terug zijn binnen onszelf
staan de deuren nog verder open, och,
er zijn geen deuren of vensters omdat er
geen muren zijn, geen tralies, geen hekken,
geen andere kant. Waar, vraag ik me af,
waar ben ik verloren.

Als ze kijken zien ze wat is geweest.
Noodzakelijk staan we
een eind voorbij en wie het aanwijst
strekt zijn hand naar de horizon,
's nachts naar de sterren,
naar de droom die wij stukje bij beetje,
vleugje verf naast penseelstreek
aan elkaar hechten woord na woord,
het spinnen van zijderupsen,
een stukje natuur, onweerhoudbaar,
maar aan het einde van moeite
en werk is de cocon gesloten,
een naar binnen gericht oog
in een weelde van zijde, de luxe
van onze zekerheid, heel even,
de luxe van superieur bestaan.



G A L M


Heel even superieur: het werk
voltooid. De moeiten afgelegd.

En dan de twijfel, de droge mond,
gal, gif.

De zoektocht in het rond. Misschien
vind ik het woord dat zachter, dieper,
de kleur die gaver klinkt.

Als zocht ik naar mijn hart, mijn adem.
Waar, ik roep je, waar.
De stilte daarna blijft galmen.



E N   W IJ ?


Het wereldnieuws vertelt:
Colombia en Mexico zijn weggespoeld.
In India liggen de lijken
met hun gezicht in het slijk.
In Vietnam gutst de regen
ons machteloos.
Afrika staat uitgemergeld te vergaan
en bedelt zelfs niet meer
om een stuk brood.
De kleinste ramp:
een vliegtuig valt, alle
tweehonderd zeventien dood.

Soms - bij mirakel! - overleeft
een enkeling de wereldbrand.
De stilte staat erbij, sprakeloos.
Daaronder drijft de vraag:
waarom - bij mirakel ? -
zijn miljoenen gecrepeerd?

Het helpt niet dat we het vragen.
Als we het antwoord kenden,
dachten we niet eens aan een vraag.
We stellen enkel vast dat leven
met geweld het leven overleeft.
Wie kan grijpt penseel en doek,
grijpt hamer en beitel,
grijpt de potentie van het woord.
Vooruit! Vandaag nog aan het werk!
Het universum wacht.
Geef het zijn kleur, zijn vorm.
Doordrenk het met zijn zin.



I L L U S I E,     U L T I E M


De stilte hangt in de mist, de grote afwezigheid
van wie wij waren en worden.
Nergens een doorgang, alles is vervuld
en nabij. Geen weg leidt. Toekomst
is volbracht. Op iedere plaats is richting nihil,
afstand even ver. Morgen staat naast gisteren,
de doden van volgend jaar houden
die van vandaag bij de hand.

Het wordt donker. Gedempt geluid zegt
dat de wereld voort hunkert achter de mist,
achter de duisternis, de nacht.

Het land ligt braak. De weg die je hebt afgelegd
was moeilijk, lang, geïsoleerd, maar is voorbij.
Hier is geen moeite meer, hier
is eenzaam bezit van jezelf.

Niemand wees je de weg die je niemand kunt tonen.
Niemand zegt je dat je bent waar je naartoe wou.
Niemand hoeft hier te komen,
deze plek dient alleen om te zijn.








ZONLICHT   IN   WIJNGLAZEN



A A N Z E T


Ruimtelijk verkleinen de kringen.
De kringen innerlijk breiden uit.

Het begin, onontgonnen,
zoekt naar inzet, aanzet,
aanloop, storm.

Willen en tasten reiken
naar verder en verder.

De hand die het sein zal geven
wijst naar boven, naar hoger,
en schiet ontzaglijk hoog.



L E L I E,   L A V E N D E L


Grijs de doorgang achter gordijnen,
besloten; lucht een scherm
dat mijn hart afsluit.

Te nauwe doorgang
onder te lage wolken,
waar vinden dromen de kans
gedachten te worden,
het ontwaken van een klokje,
een lelie, - lavendel? -
een lelie van dalen, een geurbad,
een kleurbad, de Venus van Velazquez
en hoe ze zich naar mij keert,
week die huid en
donker die vlok droom.

Waar vind ik doorgang?
Doorgang waarheen?

Naast mij ligt een deuk
in de peluw, de afgrond.
Ik tast naar haar stem,
naar haar stralen,
haar geur.



M I S T


Brugge ligt grijs in de mist,
het duwt zijn torens nauwelijks
boven de huizenrij.
Met halfslaperige ogen
schuiven auto's geluidloos aan.

Een aalscholver, hoog, alleen
op de verlichtingspaal, houdt met moeite
zijn vleugels open.

De lucht hangt zwaar. De schemermist
verdrukt de hoop op god weet wat voor troost
voor troosteloze ogen.



D E   H A N D   O P   H E T   H A R T


In tegenlicht van winterzon staan ze
rijzig, stomp, verheven over de daken.
Iedere dag bekijk je ze, je telt ze van links
naar rechts, het volledige getal.

Je noemt ze die je kent, het Belfort,
de Salvator, de Lieve-Vrouwe-toren
en de moskee van Christus Koning.
Je houdt je hand boven je ogen
om ze allemaal te zien.

Vertrouwd, als sprak het vanzelf,
ligt achter die daken Brugge, dat weet je,
en je voelt het aan die warmte,
die andere hand, die op je hart.



B E L O F T E


Het schemert zo hoopvol in de
zuiderse avonden langs het water
met heldere lach onder licht
en parasols tegen het donker.

De luchten hangen vol beloftes
en van de pleintjes kronkelt muziek
de straatjes door.

Langzaam, veel later, groeit stilte
wanneer achter de hoek
de schaduwen verdwijnen.

Als daalde verstikking neer,
een dalend doek doorzichtig
dat enkel klanken dooft
en niets beroert.

De schemering wordt nacht nu ook
de laatste lamp geluidloos sterft
zodat alleen het donker
in het donker leeft,

heel lange tijd, heel lang
tot ergens een vuilgrijs
de nieuwe dag begint.

Vuilgrijs. De droevige belofte
van de tijd.



G A A N


De morgen plooit zo moeilijk open.
Niet dat de zon niet begint,
de schaduwen geven weer diepte tussen de blaren
en van grauw worden de papavers rood.

Niet aan het licht, niet aan de verre geluiden,
niet aan het zwijgen van de vogels.

Gelijk altijd is alles hier aanwezig
in al zijn gemis,
de schuld van gebreken,
van ongekende afwezigheden,
het nijpende tekort van weten dat niet weet.

Toch rijst de zon over de weiden,
verbreedt ze de horizonten over landweg en dreven,
over bruggen en snelweg,
over de banen waar we gaan,
waar wij gestadig blijven gaan
al plooit de morgen nog zo moeilijk open.



H E I L I G E   W A A N Z I N


Ik heb wijn gemaakt,
hij staat hier overal in vaten en flessen,
gerijpt, kleurig, helder kristal.

Ik heb wijn gemaakt,
de smaak tegen mijn gehemelte gehouden
en de kleur tegen het licht.
Ik heb wijn gemaakt,
en nu ben ik overal waar wijn is,
overal waar iemand een glas tegen het licht houdt
en ik erdoorheen schijn, transparant,
de heiligverklaring van leven.

Ik heb wijn gemaakt
en hem tot in zijn alwetende ziel,
zijn waanziel en zijn wonder,
zijn dronken ziel,
gedronken.









BUITEN   NAAM   EN   HORIZON



E X P I R A T I E


Ik heb een naam gehad,
dat scheen bijzonder
omdat ik daardoor onderscheiden leek
van alles, van iedereen.

Stond hij in het water? De wind blies hem weg.
Stond hij in het zand? De wind blies hem weg.
Hoorde ik hem zeggen? De wind blies hem weg.

Het moet een vergissing zijn geweest.
Nu ik opga in wat ik altijd was
hoef ik geen naam meer,
en morgen zal het lijken
of ik er nooit een had.



E X T E R M I N A T I E


Het is lente aan het worden,
straks ga ik in de tuin
het onkruid wieden tussen de rozen,
de papavers, de primula's.

Dan komt die steek van pijn:
er is veel meer te wieden
waar ik niet bij kan,
aan mijn binnenkant.

Wanhoop slaat mijn handen
voor mijn ogen als ik bedenk:
wie in de grootstad, in de wereld,
extirpeert het onkruid mens.



G E Z O C H T:    T R O O S T


We zeggen niet kijk eens aan
zes quarks en zes leptonen,
of o god materie en energie
zijn equivalent;

we glimlachen en zeggen
de wijn smaakt naar zon,
en bedoelen: hartstocht
verhevigt ons bloed;

we proeven in onze mond
wellust van klank,
we zingen in ons hoofd
het zinderen van zin;

en elke hand
behoedzaam van begrijpen
tast in elk nieuwe jaar
naar hechter troost.



D E N K E N D


aan al wat kapot is,
al wat in hiërogliefen
onverstaanbaar verborgen ligt,
al wat op muren stond geschilderd,
op tempels gegrift en vergaan is,
het geschrift van Atlantis,
de hoop op de toekomst,
het fiere geluk van wie het schreef
en dacht dat hij de wereld
begreep of begrijpelijker maakte
en die niets anders deed
dan zichzelf verheerlijken
om te bewijzen hoe groot de mens is,
groot, hij, wij, de vrouw, de man...

aan al wat de vergankelijken die al
vergaan zijn hebben gedacht, gezegd,
gehoopt, gezongen, verlangd,
al wat als lampions in de lucht hing,
de mode, de trends, het geloof,
de gewoontes, al wat je kon zien
in geschminkte gezichten en raden
aan in onschuld gewassen handen,
al wat wij nu veronderstellen,
- zeg eerlijk, hoe kan het anders,
wij zijn altijd mensen geweest
met de menselijkheid van klauwen,
snijtanden, gegrom, gehuil... -

Wij denken eraan dat wij dat waren,
dat wij dat worden, dat wij dat zijn.
Het is de verhevenste gedachte
dat geen mens ooit van ons heeft gehoord.



G E L O O F


Het gat in de grond
het beloofde licht aan de uitgang
de donkere gang
de groeiende duisternis
de langzame versmalling
het kruipen diep
diep in het donker
de omklemmende wanden
de beklemmende lucht
de benauwende vernauwing
vooruit vooruit in het donkere gat
geloof onwrikbaar vastgewroet
radeloos redeloos
hopeloos wanhopig

tot je razend-heilig-waanzinnig
stikt in het gat in de grond.

Dan leef je diep gelovig
en denkt niet meer.



E E N Z A A M H E I D


Zoals wie bij de deur blijft staan.
De zaal loopt vol, je vraagt je af
wat al die mensen willen, vragen,
zoeken. Waarom komt ieder die hier is
hier ook naar toe?

Iemand komt spreken, hij is geleerd;
hij kent alles van proza, of van poëzie,
hij schreef er studies over, jarenlang.
Ofwel: iemand leest voor uit eigen werk,
een dichter zogezegd, een literator,
hij maakte films, hij schreef toneel
en hij verkocht zichzelf.

Je bent alleen die bij de deur blijft staan,
jij die je schaamt over hun ijdelheid
en weggaat, inkeert in jezelf
en daar het universum
van volstrekte ruimte
binnengaat.



O V E R S T A P


Je stoel staat schuin, ben je al weggegaan.
Was jij het? Ik heb de deur niet gehoord,
geen naderende stappen, geen geluid
dat dempend wegstierf.

De lucht neemt de plaats in,
het golven waarin alles
zijn grens en huid aflegt,

en hoe de gedachten door elkander gaan,
alle gedachten samen, de grote wijde geest
die over de wateren zweeft,
maar er is geen water,
en er is, denkt het,
er is niets dat zweeft...

Er is de huidloosheid, en wensen dat ik wist.









ZALIG   DIE   NIET   WORDEN



A F W E Z I G   A A N W E Z I G


Je bent in huis als een afwezige aan tafel.
Je plaats blijft open, je komt,
ik dacht dat ik je bezig hoorde,
ik hoor je bezig, denk ik, en ik kijk om.
Alleen als ik omkijk ben je er niet
en kijk ik vóór me dan weet ik dat je me
kan aanraken, dat ik je aanraken kan.
Ik steek mijn hand uit maar de deur
is al dicht, aan het raam beweegt
het gordijn nog, lijkt het,
als was je de kamer uitgegaan.
De zetel staat er maar is leeg.
Ik hoef mijn ogen niet eens dicht te doen
om je te dromen, om door de schijn te kijken,
door de wand, maar er is geen wand,
daarvoor ben je te dichtbij.

Als het stil wordt hoor ik dat je luistert
en dat ik zonder spreken met je denk.
Het hoeft niet nacht te zijn, de nacht
is alleen het andere gezicht van de dag,
hetzelfde, helemaal, maar in het donker.
De dag toont je beter. Hij laat je
rondgaan door het huis. De dag bezit
je gezicht en de toets van je handen,
het geschrift dat minutieus de tekens
en hun toon en hun vertoog noteert.
Zó ben jij de afwezige in huis, maar
dan de blijvende, degene die ik altijd zie
en niet ontwaar, degene die ik hoor
en, ook als ik niet hoor, versta.



T R A N S P A R A N T I E


Tussen de morgen en het licht,
doorschijnend tussen de morgenlichten
alsof je nergens staat
maar je bent aanwezig in lucht
en in enkel aanwezigheid,
de vreemde presentie
van handen en horen en stem.

Tussen onzichtbare ruiten
de spiegeling van anders, van ergens
met onnoembare naam toch
vertrouwd als lijnen in je hand,
levenstekens die je leest
gelaten in zekerheid en ongeloof.

Tussen andere luchten nabij
en in het wezen van de deuren,
de tafel, je stoel, het raam,
binnenin en erachter en in de kamer,
in de kamers overal in het huis
en daarbuiten, allen die gingen
en bleven in het grote onbekende
van het overbekende bestaan.



H U I S


Alles is hetzelfde, het grasveld
en de bomen voor het raam, de zon
die laag naar binnen schijnt,
de kaders aan de muur met kleur die opleeft
en plots dieper wordt; het licht, een wolk.
Alles is hier, alles staat op zijn plaats.
Ze wandelen hierlangs, ze schuiven
ongehaast langs meubels, muren,
gelijk mensen in een museum
met hun aandacht voorbij de schijn,
voorbij de dimensies van het schilderij
tot in de diepten van tijd en hart,
tot in het oneindige toen en nu.

Alles is hetzelfde als je de gordijnen sluit
op het donker. Lamplicht tempert
de stilte nog meer, maar het hoeft niet stil te zijn,
en donker of licht maakt geen verschil.
In dit huis is alles aanwezig, alles nabij.
Je hoeft slechts af te wachten, wat nog
niet is komt dadelijk en gaat nooit meer weg.
Hier zoals overal is kosmos, allen zijn hier
en thuis, de stille huisgenoten,
de aanwezigen voorbij de schijn.
Dit is een huis om te blijven, het huis
dat alles omvat waar je naartoe gaat
terwijl je weet dat je er bent.



L I C H T


Het wordt weer licht. Overgordijnen
schemeren aan het raam. Allen wachten
tot ik het licht binnenlaat en rond me kijk.
De kast, de stoelen bij de tafel,
zetels en schouw staan roerloos,
onbewogen. Hier zijn we samen,
zij die hier niet zijn dan in aanwezigheid
en ik die hier in afwezigheid naar ze kijk.

We hoeven niet naar elkaar te wijzen,
we zeggen geen woord, lucht draagt begrip.
Ik voel je handdruk vóór je mij raakt
en hoor je adem die naar adem snakt.
Maar dat is voorbij, dat heb ik me
verbeeld. Ik hoor stilte en zie waar
ik wegkijk gedaanten, gestalten, geraden,
verdwenen hoewel ik ze weet en zie.



P R O F E T I E


We kunnen wandelen langs de seringen,
langs de hazelaars, of achter het huis
over de open plek, het grasveld,
tot aan de bramen, de struiken,
de diepe kant waar we zelden komen,
het is overal goed, ik zie dat je volgt.

Alleen verbaast me de zwijgzaamheid.
Ik kan niet rondkijken om je te zien,
ik weet waar je bent, dat volstaat.
Soms achter mij is beweging,
een windvlaag met sluierdans van enkel
handen, gezicht, vreemd, gekend vreemd.

Maar die stilte. Precies op het ogenblik
dat ik me afvraag: is dat een aanklacht?
hoor ik of meen ik te horen dat je stem
mij noemt, gefluisterd. Moet ik omkijken,
wachten? Alles rond mij heeft de klank
van nog niet gehoorde, niet begrepen profetie.

Alles rond mij. De tjiftjaf roept eentonig hetzelfde,
houtduiven baltsen met klappende vleugels,
kraaien krassen hun paringsdrang, een haas
schiet op lange poten onhandig achter de hazin.
Leven en tekens van leven gelijk seringen, magnolia's,
jij: het antwoord nog vóór de vraag.



N A B IJ H E I D


Aan de ramen kruipt het duister
omhoog en de stilte gaat suizen in huis
omdat iedereen luistert.

Allen gaan weer komen
omdat het geen verschil maakt
waar zij zijn
omdat het geen verschil maakt
wie wij zijn
omdat alleen nabijheid telt
in leven, in geleefde dromen.

Nabijheid, en je streelt mijn hand.
Zover komt niemand.
Ik vraag: 'Wie ben je?' en je zegt
niet wie. Je gaat naast me voorbij
alsof je door mij heengaat,
hier, bij mij, in mijn bestaan
binnen het suizen van stilte
en het luisteren van oneindigheid
in golvende vlagen en bogen
buiten en binnen dit huis.



V E R R U K K E L IJ K   B E S T A A N


Waar zijn jullie wanneer ik je roep?
Geluiden gaan door het huis
maar geen antwoord. Kamerdeuren gaan dicht
of gaan open, ik kijk plots achterom.
Alleen de dingen blijven wat ze zijn
en hoe meer zon naar binnen schijnt
hoe scherper afgelijnd de stoelen en de kast,
de tafel, de wanden en de vreugde
van verrukkelijk bestaan.

De kamer loopt leeg en vol. Al
wat aanwezig was en niet gezien
trekt zich terug achter het licht.
Al wat hout en steen is kraait victorie:
ik ben de schouw, de haard, de balken,
zoldering en vloer, de lichtvlek van het raam
verblindend vlak dat naar je ogen springt,
je knippert en vergaat in overvolheid
van verrukkelijk bestaan.

Waar en waarom dan, als ik roep, ben je gevlucht?
Waarom dan, vóór ik riep, raakten jullie mij aan?



K W A N T U M R E A L I T E I T


Alleen betrouwbaar
en volstrekt onzeker
de twijfel.

In verlangen en droom vallen ze samen,
leven en wensen,
je houdt ze niet uit elkaar.
Je ziet de dubbele zijden, de wand
die de wand aan de andere kant
verbergt en je kijkt er in gedachten
doorheen.
In gedachten?
Een aardverschuiving onzekerheid
stort over je, een vloedgolf onrust.
Waar zul je vluchten?
Je dacht op de toppen te staan
en je staat onderaan in het dal.
'Help,' schreeuw je, 'help!'
ook als je weet dat niemand je hoort,
dat niemand de schreeuw kan horen
die alleen voor jou is bestemd.

Hoe kom je hieruit?
Je kunt niemand je aanwezigheid tonen,
de presentie van wie niet in de kamer zijn
voor wie ze niet ziet,
ze niet hoort, ze niet voelt, ze niet is.
Ze zijn er niet, niet zoals anderen zijn,
maar ze zijn er helemaal anders
en je weet zelf niet hoe.
Je strekt je hand en er is niets
en je raakt ze alsof je door ze heen tast
en ze voelt in het andere zijn.

>Hoe keer je van twee kanten terug
die elk de andere kant zijn
al zijn ze de twee zijden van dezelfde wand?
Het is moeilijk terug te keren,
moeilijk te blijven tenzij
aan weerszijden volledig.

Het moeilijkst is twijfel, is leven,
de zekerheid even onzeker
als iedere realiteit.



O V E R T U I G E N


Vanwaar wie overtuigen wil
haalt zijn garantie?
Ze staan onwrikbaar in hun vermoedens
hun argumenten hun ideeën
hun zekerheden hun geloof.
Maar waar vandaan die wil overtuigen
haalt hij zijn convictie voor zichzelf?

De wereld gloeit van overtuigingswaan.
Van oost tot west en noord tot zuid
blaakt niets anders voor wie niets anders wil.
Eeuwen en eeuwen lopen gebukt onder
de zekerheden van waarzeggers, priesters,
lama's, imams, profeten, zonen van god, dienaren
van de allerhoogste, brengers van de verlossing,
genezers, verbeteraars, - och, sukkels
die de wereld verfoeien en hem
voor de anderen tot hel maken, -
popen, vaders, zusters, broeders
en moeder overste, heiligen die
zichzelf hebben benoemd en dan vergeten
hun hand op hun hoofd te leggen
om te kijken wie daaronder staat.
Voor hen is het te laat.

Jij die nog vrij bent, ga weg,
overleg het met
jezelf de twijfel
maar hoe.



O N A A N G E K O N D I G D   B E Z O E K


Ik had je niet verwacht. Dat
had je nooit gezegd dat je zou komen.
Hoe lang was het geleden
dat je me in de ogen keek?
Twintig jaar. Ik dacht dat ik
mijn hand uitstak. Twintig jaar dood,
maar je groot-open ogen nog even ernstig
juist vóór je glimlach, je hoge voorhoofd,
je lang golvend haar, wat een pracht
was je toen je twintig was.

Zo heb je naast me gestaan nog
geen minuut geleden met
je ernst van net vóór de lach,
de seconde vóór de explosie.
Je keek me binnen in oneindigheid
door mij heen.

Eén ogenblik volzalig zijn.
Je loste op achter de duisternis.
Ik weet niet eens of je bent geweest.

Ik lig in scherven uit elkaar gespat
honderd verlangens, ogen, glimlach,
honderden vragen
en mijn uitgestrekte hand.



I K   H O N D E R D E N


Zoveel zon in de morgen, de hemel
straalt hemelsblauw over
het botten van lente.
Ontwaken. Waar ben ik? Overal
vallen stukken, ik, ieder van mij,
ik raap ze samen, verzameling mezelf
uit honderden scherven, honderden
anderen ik honderden samen.
Wat doen we met mezelf? Hoe
krijg ik me voor elkaar?

Als was er niets gebeurd.
Een hoop verwarring staat
zich te scheren voor zijn spiegelbeeld,
iets ouds, een heer, kaal met aan nek
en slapen grijzend haar.

Als ik hem achterlaat
gaan honderden de trap af
naar buiten, naar de tuin,
de open lucht in, ruimte, verte,
en ik blijf alleen, denk ik, en ben bij hen
in zoveel zon midden in het botten
van lente onder de hemel hemelsblauw.








GRAAG   NAAR   HET   DAKTERRAS



TRILOGIE


1      Hooglente

Hooglente drupt van mijn hand
's morgens in bed,
ik tast in mijn veld papavers.
De rode komen eerst,
lieftallig, wild en klein, allemaal sluiers
gelicht in de wind.

Kom weer!...

God god, hoe ik daarnaar terugverlang,
heerlijk haar schaamlipjes met
dauwdruppels op de rozen,
vochtig gezoend, een hemel en daarin
een veld papavers, opgejaagd bloed,
heilig, heilig en wild.




2      Jij

Het huis zegt: "Jij!"
en ik verklaar je heilig en wild
in elke kamer en in ieder bed.

De lakens aan de kant
gelijk opengegooide gordijnen,
het toneeldoek dat opensplijt op
de triomf van de oorsprong,
het licht dat zijn nachtgewaad
afgooit en uit de verblindende straling
schrijdt wie haar eigen glans
naakt over de arm draagt
als een afgelegd kleed,
ongelooflijk gewoon,
ongelooflijk.

En heel het huis zucht:
"Jij".




3      Een wond, voorzichtig

Geen rozen, geen bloemen, geen traan,
een wond, voorzichtig, bloedrood.
Een vinger schroomvallig betast
met eerbied, verering bijna,
de wond die je geneigd bent te likken
als die in eigen huid, in eigen hart.

Hoe trilt het in je handen als je bij het kijken
weet dat je kijkt. Je rilt. Je trilt tot in je vingers.
Onder het haar splijt de wond
als de rand van de wond die je raakt
onder het warrige haar opengespleten
krater met vochtige wanden, glanzig,
afwachtend, wacht nog maar, hart.

Geduldig de streling langs bloembladen,
- toch van rozen? De glinstering toch traan? -
Je gelooft het niet dat je doordringt,
opgezogen glijden, het zuigende portaal
van de tempel, de domkerk, het dak splijt open,
de muren storten als je je zaad stort
en haar zon overwoekert je hart.



S C H I T T E R I N G


Gelijk een waterjuffer
even zweven
en even ergens anders zweven.

Schittering boven een blad
het trillen van ongestoorde
eeuwigheid, heel even.

Daarna het blad alleen;
een blad, gebleven.



W A T E R

                                Geschreven op het Amabile van Peter Cabus
                                (Beginmethode voor Notenleer, 2de deel, nr 37 A)
                               


Het vijverwater ligt blauw
in het licht van de lucht
het vijverwater lijkt lucht

weerloos het water
spiegelt de hemel
diep in zichzelf terug

het stille vijverwater
ondergaat het geweld
van de lucht en het licht -
en het blijft water.



E I N D E L IJ K


Voor mij nu eindelijk een weg
al schuift hij onder de dagen door
of schuift over de wolken langs,
als het voorbij is, is alles
even goed weg als de farao's,
even verleden als Atlantis.

Voor mij nu eindelijk een weg
waarop ik niet meer voort moet gaan
een weg die zelf tot het uiterste ging
en waar alles al voorbij is,
alles helemaal voorbij,
zelfs voorbij mij.



A L F A   E N   O M E G A   van het kwade ogenblik


Wat nu nog komt, alles,
de morgen, de avond, het wachten,

gelijk de regen zo terneergeslagen,
zo lekend, zo druppelsgewijs,
zo onophoudelijk.

En dan de vraag:
is het nu eindelijk over.



D E   G R O T E   Z O N


De grote zon verblindt, verhit,
en de zee rolt steentjes aan en zand,
wisselende stenen, wisselend zand

op stranden waar mensen komen
en gaan, mensen en mensen
en nog meer mensen

en hun lichamen worden stof en strand
door de grote zon verblind, verhit,
en het water wast ze verleden.



W O L K E N


Daar de huizen, de bomen,
altijd hetzelfde, vermoeiend.

Aan de andere kant het park
en kinderen die joelen.

Op de stoep voor zijn deur
altijd al een mens, oud,
die toekijkt en niet lacht.

Welke vraag blijft nog open?

Ver, de horizon een oever
zonder overkant; en haastig,
een vleugelslag, wolken.







Colofon



Deze bundel werd gezet uit de
GoudyOlSt Bt korps 10,5
en gedrukt op
100 grams Conqueror.

Grafische verzorging,
innaaien en omslag
zijn het werk van de auteur.

De exemplaren zijn niet in de handel.

Het eerste exemplaar werd gedrukt op
1 januari 2006.




Terug naar Index