OUD   ZIJN


De jaren van de aap?




Binnen de rechtlijnigheid van leven
is filosofie de meest opvallende omweg.

                                       Fa Claes



Bij de gegevenheden van geboorte en dood is het vooral ons heengaan dat ons verontrust, al hebben de meesten even weinig zeggenschap over hun vertrek als over hun komst. We worden ons op een bepaald ogenblik bewust van onze aanwezigheid in de wereld en leven vanaf dat ogenblik met de door onszelf vaak tegengesproken overtuiging dat we eeuwig zijn; tenminste we handelen alsof er geen vuiltje aan de lucht is. Het enige wat we dienaangaande kunnen vaststellen is dat onze natuur ons blijkbaar daartoe dwingt.

Onze neiging om alles netjes in schuifjes en vakjes onder te brengen maakt het ons vaak moeilijk. Met betrekking tot ons ontstaan wordt het nog moeilijker omdat daar te weinig schuifjes en vakjes te vinden zijn. Een poging om geen facetten buiten beschouwing te laten leidt ertoe het ontstaan niet als een willekeurige gebeurtenis te zien waarin we niets te zeggen hadden. Ontstaan van (menselijk) leven heeft te maken met cellen. Een vrouwelijke eicel moet samengaan met een mannelijke. Wetenschappelijker gezegd: de vrouwelijke eicel moet door de mannelijke worden bevrucht. Daarmee is wat bijzonders aan de hand. Op het ogenblik van de ejaculatie is misschien slechts één vrouwelijke eicel beschikbaar. Daarentegen leveren een paar honderd miljoen mannelijke zaadcellen slag. Het lijkt meer op een soort van kermisattractie: de snelste wint. De vlucht van de darren achter een niet bevruchte bijenkoningin levert daar een mooie gelijkenis van. Met de kersenboom is iets soortgelijks aan de hand: miljarden bloesems leveren onvoorstelbaar veel stuifmeel. Sommige jaren staan misschien niet meer dan vijftien kersen aan de boom.

Vermoedelijk bepaalt de natuurwet wie wint, namelijk de sterkste, de heftigste, de levenskrachtigste. Indien meer dan één vrouwelijke eicel voorhanden is, is het biologisch waarschijnlijk dat ook hier de sterkste haar mededingsters versloeg. De natuurdrang is onweerstaanbaar groot, zozeer zelfs dat vaak - op nogal romantische manier - wordt gezegd dat wij er de zin of de richting niet van kennen. Is het niet gewoon de richting die overal merkbaar is: zonder aarzelen vooruit! Van al wat wij kennen - en blijkbaar kunnen kennen - is dat de enige zekerheid. De natuur gaat onafgebroken rechtdoor. Ze gaat van het enkelvoudige naar het samengestelde, van het eenvoudige naar het ingewikkelde, of, zoals wij dat zo mooi uitdrukken: van het lagere naar het hogere, je mag zelfs verkondigen: van het materiële naar het geestelijke.

Zonder veel nadenken beweren wij dat wij geen zeggenschap hadden, terwijl juist de cellen die aan onze oorsprong liggen alles in het werk hebben gesteld om leven te realiseren, om dit bepaalde, dit ene leven, mijn leven te verwezenlijken, met verdringing van miljoenen andere cellen. De natuur is uiterst kwistig met leven en levensmogelijkheden. Het zal larie zijn dat we zo maar in de wereld worden geworpen. Dat is literaire visie, geen vaststelling. Man en vrouw zijn niet verplicht om te paren, niet verplicht om bevruchting te laten gebeuren. Man en vrouw worden naar elkaar gedreven, paren, bevruchten, laten zich bevruchten. De levensdrang in de natuur is de drang om leven voort te geven, om te verwekken. Is dat niet omdat verwekt worden de hoogste realisatie is van initiële drang? Van in mijn verste voorouders hebben cellen mijn leven doen ontstaan. Daaruit concretere besluiten trekken, is een te gewaagde onderneming.

Het is een gratuite bewering dat ik van in mijn verste voorouders naar het bestaan heb verlangd. We nemen aan dat cellen geen bewustzijn hebben. De cellen die mijn ontstaan hebben voorbereid wil ik geen bewustzijn toedichten. Dat in hun wordingsgeschiedenis een rechte lijn zit, is mogelijk, maar is niet achterhaalbaar. Over grote afstand gezien weten we dat de natuur haar sporen uitwist. We trachten achterom te kijken, onze verste oorsprong te achterhalen. Sommigen veronderstellen dat de tijd zover teruggaat tot waar geen tijd was. Dat lijken wetenschappelijke bespiegelingen die geen grond meer raken. Laten we het bij het waarneembare houden. Het is een merkwaardige menselijke bezigheid, dat achterom kijken naar het verleden, naar datgene wat de natuur genadeloos achter zich laat, gebruikt, vervormt, omvormt, onherkenbaar maakt, maar nooit vernietigt.

Vernietiging bestaat niet in de natuur. Alleen evolutie bestaat. Wat jong is wordt oud. Niet altijd, het kan als het jong is net zo goed opgenomen worden in de cyclus van cellen, atomen, of hoe je doodgaan en daarna dood zijn wetenschappelijk moet noemen. Oud worden is voor een mens helemaal niet zo evident als soms wordt voorgesteld. Heel wat geschriften over ouderdom en wat ermee te maken heeft, doen precies of het niet anders kan dan dat je tachtig of negentig wordt. Het maakt ons ongemakkelijk dat we de dood in het leven moeten incalculeren. Hoe kan het anders, we weten met de dood geen blijf. Het is ermee gesteld als met ons ontstaan, maar verwarder en verwarrender. Een tijd na de geboorte is immers bewustzijn ons komen confronteren met onszelf. Naargelang de tijd voortschrijdt en wij in leven blijven, stelt het meer en meer vragen. We antwoorden wel, maar onder voorbehoud.

Ondertussen zijn we op leeftijd. Vroeger genoten ouderen aanzien in de familie, in de staat. Bij de Romeinen heette een man van minder dan vijfenveertig nog altijd jonge man. In vele geschriften heten raadslieden, hoge ambtenaren dus, ouderlingen. Voor wie nog verhaaltjes uit de bijbel kent, de kuise Suzanna werd, toen ze haar bad nam, door twee ouderlingen bespied. Die waren misschien amper vijftig jaar. De leeftijdsgrens lag niet erg hoog. Wie oud werd, genoot in ieder geval hoog aanzien, hij had lang geleefd, was iemand die veel ervaring had opgedaan, een wijs mens bijgevolg. De conclusie was vermoedelijk niet in alle gevallen juist. Maar het afwijzen van de ouder wordende mens zoals we nu meemaken, is zeker minder correct, in al de betekenissen van dat woord. Was oud zijn een eer, het is een ramp geworden. Is het niet overduidelijk dat de mensen het oud zijn als een soort van oneer beschouwen? Er bestaat een verhevigde drang om jong te blijven, tenminste jong te tonen. Niet alleen de dames zorgen ervoor dat hun kleding en kapsel hun uitzicht lijken te verjongen. Het is een veel algemenere tendens, de hele maatschappij is ervan doordrongen. Je hoort veel mensen bijna onbewust dat verlangen in de hand werken. Uitspraken over hun kinderen als: Ze moeten het waarmaken nu ze nog jong zijn of De wereld behoort aan de jonge mensen hebben verraderlijke dubbele bodems. Ze stammen uit een mentaliteit die aan jonge mensen de idee opdringt dat ouderen hebben afgedaan. Dat heeft met generatiekloof en dergelijke minder te maken dan op het eerste gezicht lijkt. Het heeft hoofdzakelijk te maken met rendement. Vanzelfsprekend staat in een materialistisch en kapitalistisch georiënteerde gemeenschap het economisch rendement voorop. Jongeren zijn vlugger vertrouwd met de laatste nieuwigheden op ieder gebied, vooral op dat van technologie en informatica. Als bovendien de staat financiële voordelen verstrekt bij het aanwerven van jongeren, zetten firma's hun vijfenveertigjarige kaderleden en ingenieurs aan de deur, een besparing die mettertijd bijkomende winst garandeert.

Mensen van veertig jaar die vroeger een grote mond hebben opgezet over de jeugd die de plaats van de ouderen moet innemen, hoor je nu met benepen stem het ontslag van leeftijdgenoten veroordelen. Het eigenbelang is in elke leeftijdsgroep primordiaal.

De symptomen bij bejaarden liegen er niet om. Ze richten verenigingen op, bejaardengroepen. De onderliggende betekenis is natuurlijk: in groep zijn we sterk. Vanzelfsprekend is dat slechts een facet, maar het is wellicht het voornaamste. Bejaarden hebben nood aan elkaar omdat de anderen hen in de steek laten. Wie vijftig is en werkloos, moet zich weinig illusies maken, de kans om aan werk te raken is ongeveer nihil. Tien jaar later zijn zijn frustraties er niet minder om. Als zestigjarige is hij volledig kansloos, komt helemaal niet meer in aanmerking. Waar vindt zo iemand begrip en steun? De bejaardengroep is een oplossing. Zoals in iedere groep ontstaan bepaalde gedragsvormen en vooral spreekgewoonten die op de duur bijna normen worden. Uitgesproken of onuitgesproken competitiegeest en grootdoenerij liggen aan de basis van iedere vereniging en van elke groepsvorming, of het om godsdienst gaat of om scoutisme of om de vereniging van atheïsten. De bejaardengroep legt zijn leden niet op om met de vuist in de lucht Wij zijn de mannen! te scanderen. In de groep ontstaat spontaan de behoefte om zich te manifesteren, om zichzelf en de anderen te overtuigen van zijn capaciteiten, zijn mogelijkheden, zijn durf.
- Alles goed?
- Nee, zeker! Beter dan het ooit is geweest!
Het wordt erger als het van bovenuit wordt gedirigeerd. Als de hopman in de boom kruipt, klefferen hem al de welpen na. Volwassenen hebben dat niet verleerd, ze reageren mutatis mutandis identiek.

Mensen die zich interessant willen maken, zoals dat heet, komen we overal tegen. Wat bejaarden betreft, vinden we ze zelfs aan twee kanten, zowel bij de bejaarden als bij de anderen. Je hoort soms desastreuze grapjes van jonge mensen die niet beseffen dat ze zelf drie maanden later in een rolstoel kunnen zitten kwijlen. Die moeten absoluut eens schrijven over mensen op "gezegende" (met aanhalingstekens!) leeftijd, die in een of andere Huize Avondrust wegdeemsteren of half dement naar hun kunstgebit zoeken. Dat zijn de hartelozen, de succesjagers die over lijken gaan, maar ook de onnadenkenden die het niet kwaad menen, de snullen die achteraf alleen het versleten excuus uitdenken Wir haben es nicht gewusst en niet beseffen dat dat hun zaak nog desastreuzer maakt. Laat die maar vallen, hun geestelijk rolstoeltje vangt hen op.

Dan zijn er mooie praatjes waaraan niemand iets heeft tenzij een vleugje namaakpoëzie. Als een tachtigjarige aan zijn toehoorders verkondigt: Ik amuseer me met de gedachte aan de dood, dan klinkt dat goed, superieur bijna. Er is zoiets fris aan dat amuseren in verband met die stugge dood. Maar wie trapt daarin? Het is een slecht afgedekte valkuil, je ziet van ver de ware toedracht. Met de kracht die hem rest, zet een mens zich over zijn terneerdrukkende gedachten en wil zeker zijn toehoorders niet belasten met de moeilijkheden waarin hij zit verstrikt. We hebben geleerd de anderen te ontzien. Onze diepste zwartgalligheden omtrent de dood geven we ten andere niet prijs. We zouden het niet eens kunnen, er is niet alleen een grens aan de verwoordingsmogelijkheid, er bestaan affecten die niet voor verwoording vatbaar zijn.

Zegt iemand: Met oud worden moet je vroeg beginnen, dan ben je verrast door die contradictie. Zo gauw je verder denkt, treft de afwezigheid van fundering. Om te beginnen weet je niet eens of je oud zult worden, je hele inspanning is misschien een flop. Bovendien laat de natuur niet toe wat hier verlangd wordt. Aan mensen van zestien de mentaliteit van een zestiger duidelijk maken is onbegonnen werk. Theoretisch zullen ze er iets van verstaan, maar in feite dringt niets tot hen door, de barrière is te hoog. Op het gebied van de literatuur is dat aan te tonen. Hoeveel mensen verstaan de gedichten die Gezelle schreef na zijn zestigste jaar? Als ergens gedichten van hem worden voorgelezen, voorgedragen, dan zijn dat jeugdgedichten, O 't ruisen van het ranke riet, Dien avond en die roze, of erger nog, Boerke Naas of Hete pootjes. Nee, je kunt met oud worden niets beginnen voor de tijd rijp is. Als boutade kun je eraan toevoegen: maar als de tijd rijp is, is het te laat. De tijd doet het werk alleen.

Tenslotte zijn er nog patente leugens. Een tachtigjarige zegt: Mijn mooiste jaren beleef ik nu. In zulke uitspraak tref je de enkeling aan die sterk genoeg staat om niet bij de vereniging steun te zoeken, hij zal voor zichzelf wel voldoende van zijn oren maken en de anderen laten horen dat het hem beter gaat dan ooit voordien. Dat is zelfs geen spontaan chauvinisme, het is moedwil. Anders kun je het verklaren als een gevorderde staat van seniliteit die de mogelijkheid om te vergelijken met vroegere omstandigheden heeft aangetast. Waarschijnlijk komt het neer op onze menselijke eigenschap van aanpassing aan omstandigheden: we maken er het beste van, in onze uitlatingen alleszins. Objectief bekeken is het niet benijdenswaardig om seksueel onbekwaam te zijn. Welke filosoof zei weer dat duizend jaar leven niet aantrekkelijk kan zijn als je tijdens de laatste negenhonderd impotent bent. Tenminste op dat punt is oud zijn heel anders voor een man dan voor een vrouw.

Er zijn andere verschilpunten tussen man en vrouw bij het ouder worden en oud zijn. Over het algemeen zit in mannen meer verweer tegen het leven dan in vrouwen, meer onaangepastheid blijkbaar. Van veel mannen heb je de indruk dat ze iets zoeken wat niet te vinden is. In dat verband denk ik telkens aan de laatste versregels van Goethes Faust: Das Ewig-Weibliche zieht uns hinan. Ik denk dat de vrouwelijke helft van de mensheid daar weinig aan heeft. Meestal klinkt enige ironie door als vrouwen die tekst commentariëren, een gewillig grijnslachje om de man - de rokkenjager - die meent het heelal op zijn poten te hebben gezet.

Een van de verschilpunten is dat vrouwen hechtere banden hebben met hun familie, alleszins met hun kinderen. De bezorgdheid van de moeder, de geestelijke nabijheid van de vrouw bij haar nakomelingen is aanzienlijk groter dan die van de vader. Bij oudere mensen bepaalt het rollenpatroon van vroeger grotendeels nog de verhoudingen. De uithuizige man had minder contact enzovoort. De moeder daarentegen et cetera. Dat buiten beschouwing gelaten blijft toch altijd de nauwere fysische en geestelijke band tussen moeder en kind. Hoeveel oude vrouwen heb ik sokjes zien breien voor hun kleinkinderen? Wat stelde de man daar tegenover? Het breien van sokjes is uit de mode geraakt. Maar kijk naar de nabijheid van moeder, dochter, kleinkinderen, en kijk naar de onhandige gezelligdoenerij van de opa.
Natuurlijk zijn er uitzonderingen.

De vrouw hoort in zekere zin nauwer bij het leven dan de man. Ieder embryo is vrouwelijk, slechts na zoveel weken bepalen de xx-chromosomen of het om een meisje, de xy-chromosomen of het om een jongen gaat. Daarbij blijkt dat het y-chromosoom in feite niet meer is dan een x-chromosoom met een been af. In hoofdletters voorgesteld is het beeld duidelijker: X - Y. Het was voor de mannelijke trots een zware slag toen de wetenschap dat vaststelde. Anderzijds wordt de uitspraak van Goethe ineens minder belachelijk. Das Ewig-Weibliche kan een heel eind verder teruggaan dan door Goethe letterlijk werd bedoeld. In dat geval sluit het aan bij wat Johannes-Paulus I heeft gezegd - het werd hem kwalijk genomen, de theologen wisten er geen raad mee -: God is meer onze moeder dan onze vader. Of er van evolutie of van schepping sprake is in het universum, het vrouwelijke principe dat aan de basis ligt van het geheel, ligt natuurlijk ook aan de basis van het ontstaan van de mens. Of er schepping is geweest, is een andere vraag.

Vrouwen leven langer dan mannen. Het is een vaststelling waarmee we niet weten wat doen. Oud worden is eigenlijk geen verdienste van de mens, hij heeft weinig positieve medezeggenschap. We hebben geen uitleg voor wie te vroeg uit het leven werden weggenomen. Wie oud wordt, werd door de dood gespaard en heeft geen zelfmoord gepleegd. Mensen beschouwen oud worden wel als een succes. Wie boven de honderd komt, kan op algemene bijval rekenen.

De vraag is of oud worden gewenst is. Van nature uit zijn we aan het leven gehecht. Relatief weinigen staan afkerig tegenover een leven tot in hoge ouderdom. Alleen als uitzonderingsgeval zie ik die ene man die bang was ouder dan zestig jaar te worden. Hij stierf aan een hartaanval toen hij bijna zestig was. De meesten hopen voor zichzelf een lang leven, gezond vooral. Het zijn gezonde mensen die zich afvragen welke waarden hun ongeneeslijk zieke soortgenoten ertoe brengen de dag van morgen gelaten af te wachten. Het standpunt van de mens die levenslang kreeg in een rolstoel is vermoedelijk heel anders dan dat van de mens in blakende gezondheid. Wie met een bochel door het leven moet, ziet dezelfde realiteit anders dan anderen. En wat te denken van de zieke die al tweeëntwintig jaar in bed ligt, die nooit uit bed is gekomen tenzij gedragen door twee verpleegsters? Het is met die mensen erger gesteld dan met de blindgeborene die niet beseft dat hem iets ontbreekt, hij kent slechts het bestaan van vier zintuigen, de vier waarover hij beschikt. Oud worden - en oud zijn - is blijkbaar ook voor hen een zegen.

Eigenlijk is het allemaal zo verschrikkelijk banaal: als we gezond zijn of vinden dat we niet hebben te klagen, kan oud worden ons niet deren. Een tante van me was vijftig toen ze blind werd. Ze heeft zich stilaan leren aanpassen in huis, verrichtte karweitjes als aardappelen schillen. Ze is tweeënnegentig jaar geworden. Zelfs de laatste weken was ze opgewekt als altijd. Met een schelmachtig glimlachje vertelde ze graag dat ze bij het overlijden van haar man, ze was toen zeventig, niet het minste verdriet had gevoeld. Haar handgebaar illustreerde hoe weinig ze om hem had gegeven, ze knipte met haar duim langs haar wijsvinger, ze wist wat zien betekent, ze verkneukelde zich erin dat wij haar gebaar zagen.

Er is geen vaste lijn te trekken, het leven trekt nergens een lijn. Het zijn de complicaties van de sociale omstandigheden die de donkere kleur aan het oud zijn geven. Vergelijking met vroeger haalt weinig uit. Het komt erop neer dat de levensgewoonten anders waren. De meeste mensen hadden veel kinderen, van hen bleven vaak enkelen ongetrouwd, die namen de zorg voor de ouders en zelfs de grootouders op zich. Nu leven onnoemelijk veel mensen in omstandigheden die weinig overlast toelaten. Het appartement is niet groot, om niet te zeggen dat je er niet met zijn tienen binnen kunt. Een tweede slaapkamer lijkt luxe. Voor de rest staat het vol met modern comfort, stereo-keten, tv, video, computer voor spelletjes. Plaats voor mensen is er relatief weinig, ook in de gedachten van de bewoners. Niet alleen tijdgebrek heerst, er heerst groeiende on-aandacht voor de anderen, voor al de anderen, oud en jong.

Oude mensen raken door fysische regressie geïsoleerd. Ik twijfel eraan of ouderen vroeger zich zo goed voelden in de huiskring. Hun isolement binnen die kring was volgens mij harde realiteit. Voor zover ik weet, hoorden ze erbij, en toch stond daar die onoverkomelijke barrière. Mijn indruk is altijd geweest dat ze die zelf opwierpen. Ouderen kenden zich een aparte rol toe. Ze hadden hun verantwoordelijkheden afgestaan, ze werden toeschouwer van het toneelstuk Het leven der anderen, en ze beseften dat hun eventuele bemoeienis de voortgang niet eens zou storen. Ze keken toe, en als niemand het zag schudden ze bedenkelijk, meestal afkeurend, hun hoofd.

Het is niet prettig om vaststellen misschien, maar de oude mens is in de wereld overtollig. Zeker in wat tegenwoordig algemeen wereld wordt genoemd, maar dat is een beangstigend eng wereldje van driftige macht- en geldzucht. De waanbeelden van luxe en winstbejag hebben de mensen zozeer verblind dat ze de overtolligheid van goudzoekers en geldmagnaten niet beseffen. Ze beseffen hun eigen overtolligheid als hebzuchtige niet. Hoe vlugger de geldmagnaat doodvalt, hoe beter dat is voor zijn erfgenamen. Als die zelf erfgenamen hebben, loopt de ketting voort. Ik heb in dergelijke gevallen weinig treurnis om de overledene vastgesteld. Het grote gemis zag ik bij het heengaan van een hartelijk mens. Voor alle duidelijkheid: ik denk hierbij alleen aan de dood van mensen op zekere leeftijd. Aan de dood van jonge mensen, van kinderen, kleeft zoveel onbegrijpelijks dat het leed en het gemis in die gevallen de grens van het draaglijke overschrijdt.

De bejaarde overtollig? In feite is ieder mens overtollig voor wie hem niet kent. We beelden ons in dat we onmisbaar zijn, we weten beter. Het leven vraagt ten andere niet om beter weten, het vraagt om activiteit, branie, eten en paren. Later, als dat allemaal voorbij is, mag je gaan zitten en overwegen wat weg is en wat nog komt. Het vooruitzicht verengt meer en meer. De enige mogelijkheid is tenslotte de ijsschots van de Eskimo's. Die gingen als ze oud waren stilletjes ervandoor, lieten zich op een ijsschots wegdrijven. De kou deed de rest. De ijsschots komt voor iedereen, of we willen of niet.

Het baat de filosoof weinig dat hij in geleerd overleg met zichzelf zijn gedachten in het gelid zet, ze veldslag laat leveren met opwerpingen en meningsverschil, om in het beste geval achteraf troepenschouw te houden van de enkele niet gesneuvelden. Hij bereikt niet meer dan de oude biersteker die elke dag bij mooi weer in zijn karretje tot bij de deur in de zon werd gereden. Hij was verlamd geraakt, een slepende ziekte aan zijn voet had zijn bloed en zijn hersens aangetast.
- Hoe gaat het, Mon?
- Goed, heel goed.
Dat was jarenlang het enige antwoord dat zijn communicatiedrang nog fabriceerde.
- Goed geslapen? Goed gegeten? Is het hier goed? Is het ginder goed?
- Goed, heel goed.

Waarover zullen we bezorgd zijn? Zolang gezondheid het ons toestaat, beschikken we over een paar mogelijkheden. We kunnen in de put van het geloof springen. Het afstaan van eigen rede is voor velen een steun, de verantwoordelijkheid ligt dan bij de ander. Daar valt wat voor te zeggen, ons gezond verstand weet niet zoveel hoopgevends in het vooruitzicht te stellen als een geloof. Dat geloof en vooruitzicht elkaar tegenspreken, moet je vergeten. Ieder geloof ziet de eigen fata morgana's voor realiteit aan.

We kunnen ons ook filosofische bespiegelingen veroorloven en bij voorbeeld uitdenken - anderen hebben dat al gedaan - dat het oud zijn een terugkeer is naar de toestand van voor het bewust zijn, dat we uit een geestelijke wereld stammen, dat onze echte geest staan blijft op het punt waar wij bewust worden en een menselijk leven, een aards bestaan beginnen. Waar dat menselijke leven bij het ouder worden achteruitgaat, gaat het geestelijke vooruit, in die zin dat we opnieuw aansluiting krijgen met onze echte geest. De lichamelijke dood is het herleven in die echte geest. Wie zijn geluk en zekerheid in dergelijke constructies vindt, is misschien benijdenswaardig.

We weten het al langer, er zijn evenveel houdingen en oplossingen als er mensen zijn. Ik ken geen filosoof die akkoord gaat met zijn voorgangers, geen werkelijk religieus bevlogene die niet een nieuwe godsdienst sticht. Iedere dichter wil Homerus overtreffen, ieder is voor zichzelf de Nobelprijs waard. Anderzijds: ik heb nog niemand gekend die aan het eind van zijn leven vond dat zijn werk inderdaad àf was. Enkelen hebben uit nauwgezetheid gedaan alsof, ze lieten geen aantekening na, geen schets, geen schema, geen aanzet voor een nieuw werk. Bij de meesten ondervind je dat ze weten dat hun leven ten einde loopt. Daarbij houdt het in alle betekenissen op. De berusting is een vorm van vermoeidheid en gewenning. Er ontstaat een soort van moedig tegemoet treden van het onvermijdelijke. Het lijkt bewonderenswaardig. Het verliest zijn glans als je bedenkt dat geen andere mogelijkheid overblijft.

Je kunt er een eind aan maken. Wie niet te verzwakt is, kan een touw zoeken, een mes, een pistool, een kanaal, een achtste verdieping. Een overdosis slaapmiddelen lijkt mij meest geschikt, het is netjes, het is niet gewelddadig. Maar onwillekeurig voelen we aan dat het probleem daar niet ligt. De andere vragen zijn prangender. Wat als je je zeggenschap verloren hebt? Maar vooral: Is vrijwillige zelfdoding wenselijk? Is ze verantwoord? Ik zie geen pasklare antwoorden bij die opgaven. Bij het boek van het leven bestaat geen Partie du maître zoals dat vroeger heette, het Deel van de leraar waarin de oplossingen gegeven waren. We moeten zelf aan het werk om ons enige doorgang te hakken in de jungle van voorstellingen, opwellingen, plannen, bedoelingen, banden.

In het geval van de oude mens die alleen uitzichtloze pijn en aftakeling voor zich ziet, kun je niet anders dan zelfdoding als aanvaardbare oplossing zien, voor de mens in kwestie wenselijk en verantwoord. De volkse wijsheid dat je zo oud bent als je je voelt, zweeft in die omstandigheden in het luchtledige. Sukkelachtigheid, aftakeling, ziekte bepalen hoe je je voelt, enige medezeggenschap heb je niet op dat punt. Het is begrijpelijk dat mensen in dergelijke situatie van twee kwalen de minst langdurige, in bepaalde gevallen zelfs de minst gruwelijke kiezen.

In oudere tijd en in minder beschaafde, minder welgemanierde gemeenschappen stonden zwakke oude mensen evenmin in aanzien als nu. Wie door traagheid werd geplaagd, door de vroeger vaak grote ongemakken die de hoge leeftijd meebracht, werd in de maatschappij en in het gezin niet ontzien. Het sprookje van de gebroeders Grimm windt er geen doekjes om. De mens leeft gemiddeld zeventig jaar, zegt dat sprookje, en daarvan zijn de laatste tien de jaren van de aap. De mens wordt zwak in zijn hoofd en dom, und wird ein Spott der Kinder.

Zo grimmig is het gelukkig niet altijd. We moeten ook de positieve kant zien van een gezegende leeftijd. Je bent verlost van veel verantwoordelijkheden, je hebt minder behoeften, je kunt je kinderen bijstaan als dat nodig is, je kunt de tijd nemen om een dag niets te doen. Vooral dat laatste gaat naar de diepste zin van leven. Alle materiële welstand en jacht daarnaar, de overdreven concurrentie, de aangewakkerde machts- en bezitsdrang zijn gevolgen van het ons opgedrongen maatschappijbeeld dat voorbij kijkt aan wat leven is, en dat voor velen het leven tot een arbeidskamp maakt. Wie aan mensen normen voorschrijft, haalt die bij zichzelf. Het leven kent geen normen. Leven wil voortleven, wil eten en paren. De rest is versiering. Het verzinsel van de morele wet die in het hart van de mensen staat geschreven, is een mooie poëtische verwoording. De mensen hebben zich zo ver mogelijk willen distantiëren van het dier dat ze in oorsprong en in wezen zijn. Vandaar de morele wetten, vandaar de buitenaardse goden van wie ze afstammen, vandaar de schepping van de mens, van Adam de bevoorrechte. Als verhaal is het ontstaan van de wereld, vooral het ontstaan van de mens, uit de hand van een Almachtige aantrekkelijker dan de vaststelling dat cellen het ontstaan van cellen bepalen. Het is aantrekkelijker een hemel in het vooruitzicht te stellen dan te moeten toegeven dat onze cellen en de atomen waaruit ze bestaan hun werking als organisme stopzetten en andere verbindingen aangaan. De mogelijkheid van een totale vernietiging is onbestaande. Waaruit wij voortkwamen en waar wij naar toe gaan ligt niet binnen ons kenbereik. Dat we behoren tot het bestaande waarbuiten niets bestaat, tot de kosmos die in tijd niet te kennen en in ruimte niet te overzien is, is onze enige zekerheid op dat punt.

Wat mij betreft, ik denk dat ik het bestaan heb gewild, al sinds alle eeuwigheid. Ik ben mij ervan bewust dat mijn levensdrang mijn leven in stand zal houden zolang dat enigszins mogelijk is. Ik wil zelfs oud worden en oud zijn indien die toestand geen onoverkomelijke ongemakken meebrengt voor anderen en voor mezelf. Mijn wezen zegt mij dat ik de drang belichaam van het heelal dat naar voortgang streeft, naar meer dan voortgang, naar vooruitgang, naar groei, zelfs als die op een bepaald ogenblik stopt en in iets totaal anders overgaat. Tijdens de zwaarste depressies overheerst in mij een diep bewustzijn van leven dat sterker is dan welke depressie ook omdat leven, bestaan, de basis vormt van de mogelijkheid tot depressie. Ik voel mij in dat bestaan op ieder ogenblik gemakkelijk en thuis.

Twaalf jaar later, twaalf jaar vermoeider, twaalf jaar wijzer, wie weet.

Het is moeilijk om te bepalen wanneer je oud bent, het ouder worden gebeurt langzaam aan. Bij de eerste verschijnselen geef je je niet gewonnen, je doet alsof ze niet meetellen. Pas als je moet toegeven dat het niet anders meer kan, voel je je keel dichtgeknepen. Je kon nog lopen. Dat verandert stilaan in wandelen, en dat verandert in een slentergangetje, hoe langer hoe minder ver. Je kon nog fietsen. Je fietste zonder moeite twintig kilometer. De dag komt dat die moeite te zwaar weegt, volgende keer fiets je vijftien kilometer, een jaar later tien, zes maanden later vijf. Je voelt het aankomen, op een dag fiets je niet meer. Sommigen zeggen: je moet blijven oefenen. Alleen degenen die er niets van begrijpen beweren dat. Ze hebben nog niet ondervonden dat er niets meer is om te oefenen. De slijtage door de jaren is zo groot dat je de schade niet meer herstelt. Een oude motor oefen je niet in het draaien, daarvan weet je: als je die laat draaien gaat hij stuk. De gang van zaken heet dat. Als je een oud mannetje laat oefenen, gaat hij stuk. Dus oefent hij niet meer, of alleszins onvoldoende. Dus neemt de verstramming toe, dus vermindert de oefening weer en de circulus vitiosus wordt elke maand kleiner. Wie die circulus kent weet dat er geen verweer bestaat. De circulus vitiosus ligt rond je strot en gaat langzaam dicht.

Mensen schijnen te denken: je gaat lichamelijk wel achteruit, je fysieke krachten nemen af, maar geestelijk blijf je even sterk. Zolang je niet dementeert, veronderstellen de meesten dat je over al je geestelijke vermogens beschikt. In algemene zin is dat waar. Je beschikt nog over je kennis, grotendeels een kwestie van geheugen, je hebt nog je redeneringskracht, een kwestie van ontwikkeling van je denkvermogen, je bezit nog je vermogen tot aanvoelen en inleven, je fantasie, vaak een kwestie van combineren. Alles bij elkaar ben je geestelijk niet zo verzwakt als je fysieke conditie kon laten vermoeden. Toch besef je dat je werkkracht uitzonderlijk snel is achteruitgegaan. Het aantal uren per dag waarop je nog in staat bent tot degelijk geestelijk werk is met de jaren tot een beperkte tijd geslonken. Neem bijvoorbeeld het eenvoudigste: lezen. Vroeger las je zonder moeite vijftien, zestien uur per dag, romans, essays, filosofie. Nu lees je geen romans meer omdat verhaaltjes je niet meer interesseren, je leest zelden essays, de meeste zijn te jong, je kijkt er dwarsdoor, ze zijn vaak meer ambitie dan begrip. Dat streelt de ambitie van jonge mensen, zelf heb je die al lang niet meer. Eigenlijk heb ikzelf ze nooit gehad. Filosofie lees je al helemaal niet meer. Zo gauw je hebt achterhaald dat het om een denkoefening gaat, meer dan om levenswijsheid, geef je het op. Als de literaire vorm interessant genoeg is, dan, ja. Maar weinig filosofische bezigheid haalt het peil van Le mythe de Sisyphe. Wat je nog doet, is overdenken, meestal eroverheen denken, meegedragen worden op herinneringen en associaties, uitweidingen, flarden, niet bij elkaar te brengen gedachtevlagen, niet eens een duidelijk geformuleerde aanvoeling, overweging, bedenking, vaststelling. Als je een zin opschrijft past de volgende er niet meer bij. De kracht tot ordening is weggevallen, je wilt wel orde scheppen maar de wanorde overheerst, de levenswanorde waar je vroeger tegen vocht en die je in een enigszins logische dwangbuis wrong. Wie de meeste orde kon suggereren stond bovenaan de ladder, nee, bovenaan de acrobaten-piramide. Dat was vroeger zo, maar is het nog altijd. Waar je vroeger filosofen meende te zien, zie je nu de gedachte-acrobaten aan het werk, denkbeeldig zweefwerk aan denkbeeldige trapezes.

Oud ben je pas als je krachten zover zijn achteruitgegaan dat alles je moeite kost. Het begint bij het wakker worden. Een nacht slapen zonder gestoord te worden door dromen, door wakker liggen en de slaap niet meer kunnen vatten, door dwanggedachten die je weg wilt dwingen en die je niet weg krijgt, nee, een nacht slapen zonder gestoord te worden ken je niet meer. Wankel stap je je bed uit. Doe het maar voorzichtig. Tracht rechtop te staan, zoek je evenwicht en voel of je benen je willen dragen, of je gewrichten willen bewegen. Als je daar zeker van bent, kun je stapje voor stapje naar de badkamer. O, het is zo prettig om wakker te worden. Je bent je versufte hersenen nog bij elkaar aan het ronselen als iemand wat zegt. Iemand? Dat is mijn vrouw, dat is zij die alles voor mij over heeft, de liefste voor wie ik zelf mijn leven had gegeven.

Je emoties moet je bedwingen, ze overvallen je alle in één keer, en let op, je bent pas wakker, je bent zwak. De liefde en heerlijkheid van jaren pakken in één moment samen. Je kan wel huilen van gemis, want in dit éne ogenblik vergelijk je de glorie van jaren liefde met dit armzalig lege moment. Waar is die onweerstaanbare drang die je naar haar armen stuurde? Waar is die onweerstaanbare gloed die zij uitstraalde tot in haar stem? Ook als die gloed maar een vermeende gloed was, hij was zo fel dat de kamer erdoor verlichtte, het bed werd breder en zachter, het uur milder en ruimer en wijzelf raakten telkens meer voldaan en meer doordrongen van elkaar.

Je denkt aan de lofzangen op de ouderdom die je hebt gelezen. Je wilt er niet aan denken, maar ze dringen zich op, ze kwamen van ontwikkelde mensen, van een dichter, een psycholoog, een arts, een filosoof, een filosofe. Wat een schijnheilig, zoeterig geleuter en Strebertum. De verworvenheden van de ouderdom. De berusting. De beleving van de wijsheid. De beleving van de grote vrijheid: niets hoeft nog. Nauwelijks vijftig zijn ze als ze zeer vooruitziende schrijven over dingen waar ze geen benul van hebben. Niks weten ze ervan, totaal niks. Maar ze zetten het vlijtig op papier en kunnen er bij hun soortgenoten nog naam mee maken ook. Wereld, waar ben je mee bezig?

Elke dag begint met gesukkel, het slechte humeur. Je komt je bed uit en staat wankel op je benen. Je mag je gelukkig prijzen als een kop koffie je gedachten wat opfleurt, je de kracht geeft om de donkere kanten wat van je af te zetten. Neem je pilletjes en tabletjes, de geheimen van de gezondheid liggen binnen je bereik. Het ziet er voor de rest van de dag niet te slecht uit. Dat is de overtuiging van de huisarts, de internist, de cardioloog. Het gaat je goed, bijzonder goed. Als je laat merken dat dat niet jouw oordeel is, zijn ze bereid je mee te nemen naar de afdeling geriatrie, psychiatrie, of naar het ouderlingentehuis, daar liggen en zitten al die wrakken bij elkaar die hun mooie oude dag beleven. Iedereen weet dat zulke verwijzing niet helpt. Je krijgt ze herhaald tot ze je de strot uitkomt. Die, en al de rest.

Elke dag verman je je. Tenminste zolang je de kracht nog hebt, je voelt die duidelijk verminderen. De kans bestaat dat je op een dag die kracht moet missen en dat alleen je zwartgalligheid overblijft.

Zover ben je niet. Je helderheid van geest beoordeelt, maar je mist de kracht tot uitvoeren. Je bouwt uit waarneming en overdenking redenering op, maar ze opschrijven is te veel. Je denkt: het staat wel ergens, en daar laat je het bij.

Je beseft dat je je tijd nodig hebt, dat je aan het werk moet als je nog iets wilt presteren, maar buiten dat besef blijft niets over om aan het werk te gaan. Je zit, je overlegt, je paait jezelf met: straks misschien. Jongere mensen beseffen nog niet bij benadering hoeveel inspanning aan het werk gaan kost. Wie oud is heeft het vroeger evenmin beseft, kijkt er met ongeloof op terug, en kijkt met nog meer ongeloof naar de huidige toestand van lusteloosheid en gebrek aan interesse. Nu is de dag voorbij vooraleer je de beslissing hebt kunnen nemen om het werk aan te vatten.
Een voorbeeld. Gisteren had ik in gedachte een zin geformuleerd die ik dringend moest opschrijven. Die ene zin optekenen was te veel. Ik heb het gisteren niet gedaan. Ik ben die zin kwijt, mijn geheugen weigert hem te reproduceren. De eeuwigheid zal het zonder die zin moeten stellen. Ikzelf ook. Kan het de eeuwigheid niet schelen, mij ook niet. Ik wil zitten. Ik weet dat dat betekent: ik wil suffen. Het betekent: laat me gerust. Het wordt avond zonder dat ik de dag een duwtje geef. Met in gedachte: oud zijn, oud zijn... is de dag reeds voorbij. Mocht dan de zon nog schijnen. De meeste ouderen zitten voor een verregend raam, alleen. Daarvoor moesten ze een leven lang in leven blijven.

Je zit. Je wacht. Je interesseert je zelfs niet voor de vraag of je gelukkig bent.

Wie over oud zijn schrijft, doet dat op ogenblikken waarop zijn geest in staat is tot concentratie en tot schrijven, dat wil zeggen precies op die ogenblikken waarop de ouderdom zijn nefaste invloed niet laat gelden. Het is volstrekt onmogelijk de precieze toestand van machteloosheid door leeftijd weer te geven op het ogenblik dat je hem ondergaat, aangezien je precies dan niet de geringste kracht hebt daartoe. Al wat door mensen beneden de 75 over oud zijn geschreven wordt is daardoor alleen al totaal onbetrouwbaar, en al wat ouderen schrijven in feite eveneens aangezien hun indrukken slechts de weergave kunnen zijn van de goede ogenblikken, niet van de meest karakteristieke voor het oud zijn, de uren van lummelige krachteloosheid, verwarring, behoefte aan al wat een ietwat dieper gaande uiting kan zijn van een toestand van totaal gebrek aan de mogelijkheid daartoe. Ik ben mij op dit ogenblik volkomen bewust van de tegenspraak die ikzelf hier representeer. De helderheid van geest van dit moment weerlegt alle nefaste beweringen die ik hier bedoel uit te spreken. Het is er mij om te doen aan te tonen hoe ellendig de toestand van totale krachteloosheid is, terwijl ik hier zit te gonzen van de gedachten, te blaken van gezondheid - bij wijze van spreken - en te genieten, uitermate te genieten, van de kracht waarmee ik mijn gedachten orden en ze nog formuleer ook. Het lijkt erop alsof je aan een zwakzinnige die maar voor zich uit zit te staren zonder ergens op te reageren de opdracht geeft: schrijf op wat je op dit ogenblik ervaart. Zijn reactie daarop is de enige die je kunt verwachten: geen reactie. Enige uitleg over het wezen van de krankzinnigheid krijg je nooit van de persoon in kwestie.

Je betrapt je erop dat je voor je uit zit te kijken, je fixeert een ball-point voor je op tafel. Je weet niet hoe lang je daar al zit zonder te denken, althans zonder te weten dat je denkt of wat je denkt. Alles ligt en staat er naar gewoonte, papier, boeken, het computerscherm. Het interesseert je niet. Je maag is een beetje lastig, je zou liefst gaan liggen, je ogen sluiten, slapen. Je slaapt al zoveel op een dag dat je je daartegen verzet. Maar de vermoeidheid drukt op je hart en je hebt nog niets gedaan, je zit hier van negen uur, er is een kwartiertje voorbijgegaan en kijk! het is half elf. Niemand begrijpt dat de tijd zo vlug gaat. Je bent er ongelukkig om. Je moet het van je afzetten, alles komt aandringen, al wat je ooit verkeerd hebt gedaan, tegenover je kinderen vooral. Kon je dat maar goed maken. Het knaagt zo aan je dat je vermoeidheid dubbel zo groot wordt, je machteloosheid om het te verhelpen slaat je terneer, je moet jezelf met geweld ervan overtuigen dat je niet beter wist, dat je op dat ogenblik en met jouw mogelijkheden niet anders kon. Het helpt nauwelijks. Je wordt zo moe dat je je laatste weerstand voelt verdwijnen, alles wordt vlak, alles krijgt de kleur van hulpeloosheid, een groot vlak water, een meer, een zee, een oceaan van melancholie die tot aan je lippen reikt. Daarin drijf je al een hele tijd, maanden, jaren. Iedereen ontkent dat, en door de ontkenning zo vaak te horen ben je verplicht die te aanvaarden. Maar je krijgt je droefheid niet van je afgezet. Je doet alsof ze niet bestaat, al was het maar om het de anderen niet moeilijker te maken. Ze ook daar nog mee tot last zijn, bespaar ze dat. Denk je dat bewust? Het is misschien een levensstijl.

Je leeft met het grootste dilemma. Alles in je vecht om te leven, om te bestaan. Alles in je zegt dat dat leven voor negentig tot negenennegentig procent waardeloos is, het is suffen en slenteren, je kunt niet eens een heuvel oprennen om daarboven je armen open te slaan in de zon. Je rent geen enkele heuvel meer op. De enige richting die jou nog rest, wijst naar omlaag. Ondertussen voel je je groter dan de zonaanbidder, dat lelijke beeld dat boven Rio de Janeiro op de top van de berg staat, en je heft je armen en je hart hoger en hoger. In gedachten althans. In realiteit raak je na wat inspanning verward, vermoeid. Hoe moet het nu verder? De vermoeienis ondergraaft je. Je hoofd wil niet meer mee, flarden, vegen, kleurloos waas. Je hart wordt zwaar tot in je armen en benen. Het enige wat je overblijft is opgeven. Je sukkelt naar je zetel, gaat liggen. Niets houdt nog enig verband. Veeleer dan in slaap te vallen, val je in zwijm.

Als niets nog overblijft...
Net voor je in zwijm valt, voel je trots dat je dit meemaakt.
Omdat je terug wakker wordt, kun je je afvragen waarom.


Over de hinderlijkste momenten van het oud zijn schrijft geen mens omdat niemand bij machte is de hinderlijkste momenten te ondergaan en ze terzelfder tijd verantwoord weer te geven. Je schrikt als je eraan denkt dat het nog erger kan. Misschien komt de tijd dat je alleen nog zweeft tussen de hinderlijkste momenten en de flarden, de vegen, het kleurloos waas. Als het voor anderen een troost kan zijn, die zul je nooit verwoorden.

Je bent bang voor het ogenblik waarop je je gedachten niet meer in een betoog kunt ordenen, een min of meer sluitend betoog, of tenminste een uiteenzetting die op voldoende wijze is opgebouwd. Je bent 81. Je kunt nog je gedachten noteren, afzonderlijke alinea's. De concentratie om de onderdelen tot een geheel te verwerken, breng je niet meer op. Je troost je ermee dat het leven niet bestaat uit een oordeelkundig opgebouwd geheel. Leven is een opeenvolging van onsamenhangende brokstukken waarin wij een eenheid trachten te zien. Vooral filosofen - stel je voor, beroepsfilosofen! dat wil zeggen: mensen die hun boterham verdienen aan de filosofie! - vooral die filosofen willen het voorstellen alsof de filosofie primeert, alsof de filosofie het leven bepaalt. Op geestelijk gebied is dat het oude waanidee van de grote orde. Het heelal was een harmonisch samenstel van allemaal perfecte bollen. Wij waren daar een afstraling van. Niet het lichaam, dat was streng van de geest gescheiden, dat was maar stof, maar die geestelijke vermogens, mensen toch, is daar onzin over verteld. Alles moest tot orde worden herleid. Nog altijd leven latent die waanzinnige opvattingen verder. Orde is er niet, maar de poging tot orde wordt zo hoog aangeslagen dat ieder doet alsof hij ze persoonlijk maakt of doormaakt. Je wordt je hoe langer hoe meer bewust van het menselijk bedrog, dat wil zeggen, je doorziet het hoe langer hoe scherper en je zet het hoe langer hoe verder van je af.

Ik weet en besef wat het betekent dat ik op dit ogenblik nog over al mijn levensgeesten beschik. Rond mij zie ik zoveel leeftijdgenoten bij wie ze hebben afgenomen, ten dele, grotendeels, soms geheel. Ik verzet me tegen het ogenblik waarop die geesten mij zeggen: wij willen liever in de zetel gaan liggen met onze ogen dicht. Ik zie er veel, veel zetels, en heel veel gesloten ogen. Ik zie nog meer rolstoelen, ziekbedden, operatietafels, grafzerken.

De tijd komt dat ik misschien niet meer lees. Ik lees nu al geen boeken meer, de lengte schrikt me af en ik weet dat ik zal afdwalen in gedachten en niet volg wat de auteur vertelt of betoogt. Overigens heb ik al zoveel gelezen dat mij weinig nieuws kan geboden worden. Waarom zal ik herlezen wat ik reeds weet? Vroeger kwam ik op ontdekkingen uit. De laatste jaren ontdek ik niet meer. Alleen uiterst zelden treft me nog een gedicht. In dat opzicht is het verschil met vroeger niet groot, ik trof zelden een gedicht aan dat me niet meer losliet. Alleen had ik meer levenskracht en leeslust, wou het allemaal kennen, ook als het niet van de hoogste rang was. Nu ontbreekt me de moed en de volharding om het mindere op de koop toe te nemen. Laat maar, denk ik, dat hebben we al gehad.

Wie de vermoeidheid kent, spreekt er niet lichtzinnig over. Wie ze doormaakt, zwijgt erover, de kracht om te spreken ontbreekt.

Onverdraaglijk is het besef en de ervaring van de apathie. Je ontkent het bestaan van die druk zolang mogelijk voor jezelf, maar je onverschilligheid groeit. Naargelang je energie afneemt, begint de matheid toe te nemen. Je moet je daartegen verzetten is het eerste wat mensen je zullen zeggen. Ze geven er zich geen rekenschap van dat je vermoeidheid niet overgaat. Je denkt: na een nacht slapen ben ik weer fit. Het is waan. Je staat op, even vermoeid als toen je naar bed ging. Je bent niet goed gezind omdat je vermoeid bent, je had het anders verwacht. De sleur begint. Het eerste waar je je restje energie insteekt, is in je verzet. Het bewustzijn van gebrek aan weerstand maakt dat je het anders wilt. Je dwingt jezelf tot sterkte. Even lijkt dat te lukken. Even. Dan zoek je een stoel, en - als het kan - rust. Het gaat niet meer, en precies dat wil je niet toegeven. Je wordt er niet blijer van. Pas als je zit, voel je hoezeer je daar nood aan had. Als je nu gaat liggen en je ogen sluit... Het is de enige behoefte, ze domineert.
Laat me gerust.
Er is niets heerlijkers dan de slaap.

Als je daar niet aan toegeeft, blijf je moe en humeurig. Als je wel toegeeft, word je wat later wakker met het wrange gevoel dat je geen weerstand in je lijf hebt, dat je niets meer de baas kunt. Je zit er chagrijnig bij, boos op jezelf, ziek van vermoeidheid en onmacht. De slaap heeft niet geholpen. Je kunt niet anders dan kunstmatig wat schijn-energie opdoen, je drinkt een kop sterke koffie. Niet te sterk - daar heb je de beperkingen weeral - of je hart slaat op hol.

Niets moet nog en alles mag. Daar kwam Patricia de Martelaere mee aandragen toen het over ouderdom ging. Ze zal nooit weten wat dat is. Ze is dit jaar - 2009 - gestorven, net geen 52 jaar, hersentumor. Vreselijk is dat. Ze had moeten meemaken hoe dwaas ze over het ouder worden en het oud zijn uitweidde.

Onlangs dacht ik daar nog aan, toen ik een brief schreef aan de procureur. Ik had een inbreuk gepleegd. Ik had langer dan een kwartier gestaan op een plaats waar een bord stond met de aanduiding: Max. 5 min. Daar gaf ik wat uitleg bij.


Aan de heer Procureur des Konings,

Dit is geen betwisting van feiten, dit is alleen een poging om de menselijkheid een kans te geven.

Waar het in dit geval om gaat, is in feite het in gebreke blijven van mijn geheugen op korte termijn. Ik ben 81 en moet toegeven dat ik daar sinds een paar jaren last van heb. Stel u voor: mijn vrouw zegt om negen uur 's morgens tegen me: wil je naar de beenhouwer gaan en vier malse biefstukken halen? Ik zeg ja, ga naar mijn kamer om mijn portefeuille te halen, zet de computer al aan, ik wil straks nog wat gedichten uit het Spaans vertalen. Ik zie dat ik e-mail heb van Mariano Shifman uit Argentinië. Ik lees, ik antwoord, maar van biefstuk is geen sprake. Rampzalig, mijn vrouw is twintig jaar jonger dan ik en zegt dus om elf uur dat ik niet om haar geef, want ik vergeet "altijd" (zegt ze) wat ze mij vraagt. Daar sta ik dan met een rood hoofd.

Ik heb aan de luchthaven dat bord met Max. 5 min. duidelijk zien staan. Ik herinner me zelfs dat ik heb gedacht: 5 minuten, daar moet ik op letten, maar aangezien ik mijn vrouw en dochter Lieve (de tweede van drie, plus een zoon) alleen even met hun bagage naar binnen help, ben ik direct terug. - Daar was ik op dat ogenblik zeker van. -

En wat gebeurt er? Bij het wegen van de bagage - er waren geen passagiers aan de balie, het ging er heel rustig aan toe - bleek dat het gewicht te hoog lag, niet veel, voor hen twee samen 5 kg overgewicht. De baliedame gaf een hele uitleg over hoeveel het mocht zijn, hoe je kon vermijden dat het te veel werd, wat je met het teveel kon doen, een simpele oplossing die ik me al niet meer herinner, enfin, een hele uiteenzetting, prettig om horen zelfs, de dame vertelde graag anekdotes tussendoor. Dat zette mijn vrouw ertoe aan om te vertellen dat ze naar onze dochter in Turkije ging, Beatrijs, de derde van drie, ze woont in Gündogan op een half uur van Bodrum, is met een Turk getrouwd, heeft twee kindjes. En patati en patata.

Dat bord met die Max. 5 min. ben ik vergeten. Nu ik er door het PV aan herinnerd word, weet ik ook dat het verkeerd was. Maar wat doe je tegen ouderdomsvergetelheid? Die is er, die gebeurt, en daar houdt het op. Achteraf... Ja, achteraf. Je hebt geen misstap begaan, je hebt niemand wat in de weg gelegd, je hebt niemands leven in gevaar gebracht. Maar je krijgt een PV als had je godweetwat op je geweten. Een inbreuk. Maar wat wordt hier bestraft? Je leeftijd, je 81 jaar waarop je plots geen recht hebt want die brengt vergetelheid mee waar je niks kunt tegen doen, alle artsen-specialisten hebben het me verzekerd. U mag van geluk spreken, zeggen ze, denk maar aan al diegenen die niks meer kunnen vergeten... Ik ben voor mijn 81 inderdaad nog relatief gezond, fysiek en mentaal. Maar tegen de kleinere ongemakken waartegen niemand is opgewassen, ben ook ik onmachtig. Dat neem ik me kwalijk, maar ook dat helpt niet. De wet zegt: 5 minuten, en ze vraagt niet of je het dan nog weet. Deprimerend is dat vergeten wél.

Ik heb over oud worden veel gelezen wat door relatief jonge mensen geschreven was. De recentste artikels en boeken daarover zijn die van Patricia De Martelaere, filosofe, prof in Leuven. Haar geschriften over de ouderdom, over oud worden en oud zijn, kenden veel bijval. Ze zal nooit weten wat oud zijn is. Het is spijtig, ze is al gestorven, ze heeft de 52 niet gehaald, stierf dit jaar, hersentumor, vreselijk. Maar haar geschrijf over wat ze niet kende, was eigenlijk beschamend. Zo van: "Niets moet nog, en alles mag". Stel je voor, niets moet. Ik moet biefstuk halen bij de slager. En alles mag. Krankzinnig. Ik ging graag in zee zwemmen. Als ik nu in zee ga zwemmen, kom ik niet levend terug. Alles mag. Toen ik tussen de 40 en de 50 was, en zelfs later, heb ik er ook niets van geweten of verstaan. Nu ik 81 ben, weet ik wat het is 40, 50, 60, 70 te zijn. Ik had er geen benul van dat het zo erg is, na de 70. En dan betert het niet meer, integendeel, "de treden worden hoger, ieder jaar" (ik citeer mezelf, de zin komt uit een van mijn gedichten). En dat zijn niet alleen de treden van de trap. De andere treden zijn hoger, tot je er de tranen van in je ogen krijgt.

Geachte heer Procureur, ik onderteken met Fa maar eigenlijk heet ik Frans, Fa is daar een koosnaampje voor. Alleen al in Mechelen, waar ik werd geboren, kende ik vier mensen met de naam Frans Claes.
Fa Claes, dat ben ik alleen.

Met hoogachting en een vriendelijke groet.
Fa Claes



Ja, zeg, Niets moet nog en alles mag. Onzin, je kunt niets meer. Als je er de kracht nog voor had, ging je in een hoek zitten schreien. Het enige wat je doet: je haalt je schouders op, twee millimeter hoog.

De lastige kant van de zaak zul je toch zelf moeten dragen. De ogenblikken van neerslachtigheid nemen almaar toe, het worden perioden van de dag. De kwalijkste tijd komt 's middags, zo gauw je hebt gegeten. Of je het wilt of niet, je zetel en de slaap eisen je op. Het wordt een gewoonte, een dwang. Weinig moeite kan het kosten om niet meer uit de zetel of uit bed op te staan. Je begrijpt dat sommigen zich door gemakzucht daar laten toe overhalen. Ook als je ligt, gaat de dag voorbij. Je ondervindt dat er een soort van droomtoestand ontstaat waaruit je liever niet wakker wordt. De onaangename kanten van het leven; de vermoeidheid; de onmogelijkheid om je te verplaatsen, te wandelen, te fietsen; je constante neerslachtigheid; je gemis aan kracht om nog enige conversatie te voeren die de moeite loont; de tegenzin tegen lezen die weerzin is geworden, van ontzaglijke behoefte omgeslagen in langdradig en zwaarwichtig tijdverdrijf, onbenullige betweterij van wie het zomin weten als jijzelf; kortom alles wat betekenis aan je leven gaf, is je ontnomen. Het genieten van ideeën, kleuren, vormen, muziek... Niets blijft over. Alleen weerhoudt je de gedachte aan je vrouw en je kinderen en wie zij liefhebben. Als zij er niet waren, ging je vandaag nog naar de kast waar je de overdosis bewaart. Vandaag is al zo slecht dat je weet: het wordt morgen of overmorgen niet beter. Het mag gedaan zijn, nu.

Het gaat me nochtans goed. Ik vecht deze depressie wel door, ik heb al meer depressies doorstaan. De eerste ben ik zo beschadigd doorgekomen dat later geen enkele andere me nog diep kon raken. Maar toen was het te laat. Ieder heeft wel zijn beperkingen doorgemaakt. Alleen politiekers hoor je dat nooit bekennen, die hebben alleen voor eigen en andermans glorie gezorgd, beweren ze. Ze zijn het liegen gewoon. Ze worden door anderen daarin gesteund. Kijk maar, toen ze Winston Churchill na de oorlog geen Nobelprijs voor de vrede konden geven, gaven ze hem - volslagen onverdiend - de prijs voor literatuur. Dat jij dat niet apprecieert, zal ze een zorg wezen, zij zijn in de meerderheid, jij staat daar heel alleen. Mundus vult decipi. De leugen regeert. Hoe straffer de leugen, hoe meer ze wordt geloofd. Dat is waar geloof voor dient.

Ik vrees dat veel ouderen door gemakzucht de weg van de verwarring, van de dementie inslaan. Het moet voor velen een verslossing zijn, bevrijd te worden van de lasten van dit leven. Als je je oordeel en onderscheidingsvermogen opgeeft, heb je geen verantwoordelijkheid meer, zelfs niet meer voor jezelf. Wanneer je afstand doet van jezelf, kan niemand je nog raken, je bent ongenaakbaar, alles vloeit over je heen, alles vloeit heen.

Enkelen, ikzelf ook, zijn verslaafd aan hun bewustzijn. Dat zijn degenen die weigeren op te geven. Ze houden zich met onverschillig welke stiel of welk tijdverdrijf bezig, maar bij de minste afwijking in het rationele patroon zijn we gealarmeerd. Zoals in alles vind je ook hier gradaties. De man die bij mijn weten meest aan zijn bewustzijn vasthield, was Karel Jonckheere. De anesthesist kon hem nauwelijks onder narcose krijgen, zozeer was Karel aan de beleving van het ogenblik gehecht, hij wou die beleving niet loslaten. Ook 's nachts niet, hij sliep twee tot drie uur per nacht, nooit meer. Daardoor had hij zoveel tijd meer in zijn leven dan mensen die minimum zeven uur slaap nodig hebben.

Maar de anderen, degenen die het klaarblijkelijk opgeven? Je krijgt geen antwoord op de vraag waarom ze de verdwazing ingaan. In het geval van Alzheimer en aanverwanten weten we dat ziekte de mens aantast. In vele gevallen is diagnose moeilijk. Vaak zijn er geen aanwijsbare redenen voor dementie in verschillende gradaties. Degenen die ons konden inlichten, zijn precies daar niet meer toe in staat. We kunnen alleen van buiten uit vaststellen.

Wie kan ik een genoegen doen met mijn sombere ogenblikken, uren, dagen? Niet eens mezelf. Het zijn geen schaduwen die me volgen, ze lopen mij voor de voet, staan me in de weg, ik moet ze opzij duwen om verder te komen. Ga weg, zeg ik, maar mijn stem is te zwak. Ik kan beter gaan neerzitten. Maar nee, doe het niet, als je aan zwakheid toegeeft, komen de tranen. Of erger, de onverschilligheid, de verdediging tegen de overmacht van het leven dat je ontgaat. Je hebt geen verweer, je weet dat alle verzet nutteloos is. Waar zijn ze, degenen die macht hadden en zogezegd groot waren? Ergens onder een zerk. Waar zullen ze allen zijn over enkele jaren, over vijf miljard jaar? Belachelijke praatjesmakers die elkaar moeten bewieroken om de indruk van eigen belangrijkheid te kunnen vertroetelen. Laat ze maar doen. Voor iedereen wacht ein Grab in den Wolken da liegt man nicht eng. Of je denkt aan de Duitse Sondermeldungen uit 1941, waar we na zoveel jaren soms filmflitsen van zien: de honderdduizenden Russische krijgsgevangenen op weg naar hun dood.

Het gebeurt dat je stemming even later wordt verzacht doordat je vrouw thuiskomt met een nieuwe blouse of een nieuw manteltje dat haar beeldschoon staat. Het leven van het ogenblik krijgt weer de bovenhand en de schaduwen schuiven op, ver genoeg, tot net buiten de deur. Je weet ze daar wel, maar hun zwarte vlekken hebben niet meer de kracht om vlak voor je ogen te staan. Als je je wegdraait van de deur heb je zelfs de indruk dat ze er niet meer zijn.

Even gaat zelfs een andere deur, die naar de gelukzaligheid open: Agnes zingt. Hoogst zelden zingt ze nog. Haar stem benadert het meest de stem van Elly Ameling. Maar het is te laat. Pas toen ze haar schildklier voor driekwart liet wegnemen, kwam haar stem echt vrij. Ze was toen al boven de vijftig. Na de operatie werd haar stem onnoemelijk sterker en de warmte ervan zoveel ruimer. Ze zingt Ex utero ante luciferum genui te uit Dixit dominus van Vivaldi. Het is voor mezzo of alt bedoeld, denk ik, Agnes haar hoge sopraan is met de jaren iets verlaagd. Ze weet niet dat ik haar hoor, ze weet niet dat ik stil uit mijn kamer kom om dichterbij te staan luisteren. Het is verbazend hoe een aangrijpend moment - vol melancholie om zoveel verlies - de kracht kan hebben om door de opgeroepen schoonheid ervan te troosten. Wel staan de tranen me in de ogen. De pijn snerpt in mijn hart.

Meest dwingend is de leeftijd, maar je weet niet vanaf wanneer. Je verzamelt nog eens je krachten, je wilt uitdrukken waar het op aan komt, een slotwoord, een samenvatting, de ultieme vaststelling. Je tracht door te dringen. Dadelijk ondervind je dat je zelf het enige obstakel bent. Daarbuiten ken je niets dat je steun kan bieden, je bestaat alleen binnen jezelf al ben je nog zo naar de anderen gericht. In feite bereik je niemand; niemand bereikt jou. Je bent het individuele geval waaruit je niet los raakt, dat je niet overtreft, dat je wel aanvoelt als het model voor alle anderen omdat je geen ander model kent of kunt zijn, zelfs niet als je vermoedt dat een ander model kan bestaan en jou misschien overtreft. Ver overtreft? Het lijkt wel of het vermoeden van een groter model het eigen model tot het grotere model vergroot. Over het onbekende kun je geen oordeel uitspreken. Spreek je een oordeel uit, dan sta je boven het beoordeelde, correcter uitgedrukt: dan stel je je boven het beoordeelde, anders kun je het niet overzien. Het is de niet uitgesproken trots van ieder die zijn mening te kennen geeft: ik weet het beter.

De grote aftakeling lijkt aangebroken. Al weken stel ik altijd weer uit, alles. Ik kom er niet toe op te schrijven hoezeer de vermoeidheid me verhindert om onverschillig wat aan te vatten of voort te zetten. Het gebrek aan fysieke kracht ontneemt me energie om mijn gedachten te ordenen. Alles overvalt me, letterlijk, het stapelt zich boven me op, een uitweg vind ik nergens. De stapel verplettert me. Wat overblijft is een versuft, verpletterd ik. Nog vóór ik wat begin, geef ik het op. Ook nu.

Mijn hoofd zit vol zinnen die ik dringend moet noteren tot op het ogenblik dat ik daar de kans toe krijg. Dan loopt mijn hoofd leeg en zit ik me af te vragen wat ik noteren moest, en hoe.
Ik moet nog schrijven over een gelukkige oude dag. Langzamerhand dringt door dat die niet bestaat. Je rekent jezelf tot de gelukkigen omdat je nog bekwaam bent te noteren wat in je omgaat. Ik ken het percentage niet van wie zo oud en ouder zijn als ik en die nog over de kracht en de wilskracht beschikken om hun ervaringen en bedenkingen op te schrijven.
Altijd kom je terug bij de grote paradox: je wilt de toestand van krachteloosheid weergeven, de overwegende toestand waarin je verkeert. Op het ogenblik dat je die doormaakt is het onmogelijk om hem weer te geven, te beschrijven, uiteen te zetten. Je kunt alleen achteraf, als je je korte tijd beter voelt, een benadering ervan proberen, een flauwe benadering, vermits je nooit vanuit de kern van de depressie de kracht haalt om het dieptepunt te vatten, zeker niet om het op enigerlei wijze uit te drukken. Je maakt het door. Daarna blijven impressies over. Je hebt neiging om te overdrijven. Je hebt evenzeer de neiging om te minimaliseren. Als je levenskrachten weer het hoofd opsteken, wil je daar liever van genieten dan te gaan kniezen over wat je liefst vergeet. Komt het straks terug, goed, dan zien we wel hoe we daar doorheen komen. Nu schijnt de zon even, de warmte doet deugd, je schurkt je rug tegen de leuning van je stoel en denkt: komaan, het kan maar mooi zijn. De glimlach waarmee je jezelf bekijkt, wamt meer op dan de zon.

Ik moet dringend schrijven over seks op hoge leeftijd, mijn leeftijd. De moeilijkheid bestaat erin dat je daar weinig over kunt zeggen zonder naar je partner te verwijzen. In je eentje seks bedrijven, dat lijkt me op hoge leeftijd niet aangewezen, al weet je nooit. Maar ook dan verwijs je naar je partner. Als een oudere man mij moest zeggen dat hij masturbeert, dan zou ik onvermijdelijk denken: weet zijn vrouw daarvan, of is ze niet in staat hem te bevredigen? Uit kleine aanwijzingen maak je soms op dat een vrouw op jaren een andere houding aanneemt tegenover seks dan een man. Zolang de potentie er is, blijft seks aantrekkelijk. Je vrijt niet meer zo vaak als vroeger. De jaren waarin je elke dag tenminste tweemaal vrijde, liggen een eindje weg. Dan kwamen de jaren dat je elke dag vrijde. Tot het je verbaasde dat je een dag oversloeg. Op latere leeftijd werd het tweemaal per week, nog later één keer. Het vreemde eraan is dat je, wat je aan kwantiteit inboet, aan kwaliteit wint. Ik bedoel: uit mannelijk standpunt bekeken, je bent nooit zeker van de genietingen van je vrouw. Dat is een onderwerp waarover zij liefst zwijgt. Voor zover bekend hebben vrouwen het niet graag over hun orgasmen, zeker niet over het aantal orgasmen per vrijbeurt, ook niet als ze niet gering zijn. Je zou denken dat een vrouw daar een beetje trots op mag zijn, of tenminste gewoon zeggen wat er gaande is. Nee. Het is beter dat de man discreet blijft op dat punt en aanvaardt wat hem geschonken wordt.

Een enkele keer zegt een van je vrienden dat hij zich nog eens achttien jaar voelde. Hij kwam met zijn vrouw van een bruiloftsfeest, een aanstekelijke bedoening. Ze hadden er uren tussen jonge mensen doorgebracht in een atmosfeer van uitgelatenheid en bedekte of onbedekte erotiek. Alle vreugde die er heerst, barst los uit de verrukkingen van het vlees. Toen ze thuiskwamen hadden ze het smeulende vuur aangewakkerd, om niet te zeggen alle duivels ontbonden. Hij vond dat zelf maar een lelijke manier van zeggen om weer te geven dat de heerlijkheden van het lichaam in volle bloei hadden gestaan. Het was een weelderige lente geweest van opgaan in elkaar, een samenvloeien dat geen grenzen kent of verdraagt.
De man is hartpatiënt als ik en even oud. De volgende dag werd hij voortdurend aan de vorige avond en nacht herinnerd, de esbattementen hadden hun sporen nagelaten, pijnlijke sporen, zei hij. Hartlijders kunnen beklemmingen krijgen die zich hun naam waardig tonen. Dat zijn geen louter fysieke beklemmingen, je voelt je als mens in het nauw gedreven, je kunt geen kant meer op. Die toestand is moeilijk te benoemen, je weet niet of je erdoorheen komt, ze drukken je met je rug tegen de muur. Je beseft dat ze maar even langer en feller moeten drukken, dan ben je er niet meer, dan is alles voorbij. Je hart en je keel voel je zo dichtgeknepen dat je hersenen niet functioneren. Je wordt bleek binnen in je hoofd, doodsbleek. Onrust, onmacht, weekheid, angst. Je hebt geen zeggenschap meer, een andere macht heeft je die afgenomen en je weet niet wat die er gaat mee aanvangen. In het beste geval krijg je na een tijd je zeggenschap terug. In het andere geval neem je al je belevenissen met je mee zonder dat wij nog van je horen.

In verband met seks staat het esthetisch beleven van het naakt - en alle ontroering die ervan uitgaat - voor mij hoger dan welke aandrang ook. Van mijn beste vrienden weet ik dat het ook voor hen het geval is. Vanaf de prilste lokroep - de eigene of die van de partner - tot de uiteindelijke glorie van het orgasme en de na-belevenis is de telkens opnieuw beleefde ervaring gericht op schoonheid en doorleving van schoonheid. Vanzelfsprekend staat die beleving niet los van de geliefde, de intens geliefde, en van je meest intense gevoelens voor haar gekoppeld aan de meest intense beleving van jezelf, je zelf.
Wat aan het naakt in afbeeldingen ontbreekt, is de felle toets van het authentieke, de trilling van de levende huid en de warmte van het geestelijke contact. Vooral de onmogelijkheid om innerlijke reactie van de persoon te mogen beleven, al was het maar door een beweging van hoofd of hand, maakt de afstand zo groot, de mens zo onbereikbaar. Dat is precies wat enkele beeldhouwwerken zo uniek maakt: ze benaderen de levensechtheid zozeer dat je ze zou aanspreken. Ondanks alle gemis is toch iets van de levenskracht aan het beeld meegegeven zodat je het betasten zou en schrikken van de levenloosheid maar terzelfder tijd bijna juichen om de heerlijkheid van de vorm.

Alles is dringend geworden, weer had ik neiging om te beginnen met: Ik moet dringend schrijven over de slaap. Ik zie dat ik al twee alinea's met dat dringend liet aanvangen. Dus blijft het weg.
Ik moet nog schrijven (dringend, dringend!) over de slaap, die van nu, de slaap van een mens die de 82 al enkele maanden voorbij is. Ook hier is het verschil met vroeger immens. Elke morgen keer ik terug uit de totale verwarring. Ik ben niet ergens geweest. Je zou denken: ik was overal, maar dat is het ook niet, zo is het niet. Ik was - en ik was gelijktijdig - op alle plaatsen waar ik aan dacht, waar ik in mijn droom aan dacht. Ruimten nemen er elkanders plaats in en ik ben in elk van ze. Al wat ik doe is zijn in de meest variabele vormen, aanwezig zijn, meemaken, constant ontstaan, leven. Als ik bij het ontwaken terugkom, beklemt mij de beperking van dit wakende leven: het bed waar ik in lig, de kamer met het schaarse licht, de engte van het opstaan, wassen, ontbijten, de voorgeschreven handelingen. Ik zit weer gevangen, ik kan alleen hier zijn, niet ook aan de overzijde. Mijn hoofd weigert dienst en wil terug naar het universum, de ruimte met alle kansen en richtingen, zelfs met de onbegrijpelijke toestanden waar ik in geklemd zit, die spoorbrug die de hoogte in ging en die ik moest tegenhouden, een onmogelijk werk, tot ik meende te ontwaken en de brug niet losliet, de trein ging komen. Naargeestig is het vaak en ik heb geen houvast. De anderen komen en gaan, heel vanzelfsprekend. Ze wandelen hier voorbij of stappen over het water of over de brug, dat blijft gelijk. Ik zie dat, ik begrijp dat blijkbaar, ik stel me daar geen vragen bij. In feite verloopt in de droom alles zoals daarbuiten: hij stond erbij en keek ernaar. De uitleg die je hoort geven, is vaak zeer geleerd. Ik heb ook filosofen gelezen. Na elke alinea of zin knik je en zeg je: Ja, maar...

Ongelooflijk is de verzaliging van de zwaarte, van de moeheid, van het toegeven aan niets doen. Het is een prachtige meimorgen, de negentiende vandaag, een beetje fris nog buiten, het is nog geen tien uur. Vanmorgen lag er rijm op de daken. Nu straalt de zon en warmt. Mij zegt het niets. Of toch, ik zie het wel, ik voel de heerlijkheid, maar dan een heerlijke onverschilligheid die me de ogen doet sluiten, ik wil neerliggen en opgaan in het gewicht dat hangt en duldt en geniet. Het is alleen genieten, niet genieten van iets, alleen zwaarte die te veel is om dragen en die je dus niet draagt, gewicht dat je gewicht laat zijn en dat je laat drukken, alleen verzet tegen gewicht kan het gewicht doen wegen. Nu lig je eronder geplet, maar je ligt. Alles is een waas en het kan je niet schelen, niets is de moeite waard. Je ogen vielen al dicht. Er hangt geruis dat op en af gaat.

Tegenzin is wat ik voel als ik wakker word, tegenzin. Waartegen weet ik niet, alleen tegenzin. Naargelang mijn hoofd klaarder wordt, denk ik: het is tegenzin omdat het voorbij had kunnen zijn, maar alles begint opnieuw. Wel is het schitterend buiten, alle tinten groen van de lente zingen. Alle tinten baksteen van de huizen in de vroege zon lijken wel Vermeers Gezicht op Delft. Je ziet dat het heerlijk is, maar toch ontbreekt er wat. Er ontbreekt 'gerust gelaten worden', 'onverschillig kunnen zijn', 'nergens van afweten'. Het zijn begrippen die je kunt noemen, begrippen voor toestanden die je bij bewustzijn niet meemaakt. De slaap geeft ze je. Ook weer niet altijd, je nachtmerries zetten je voor verantwoordelijkheden die je niet de baas kunt, een even grote ellende als het leven overdag, tenminste op zijn slechtste momenten. Op de goeie ogenblikken zing je met de lentekleuren mee, straal je de zielswarmte van baksteengevels uit. Och, het is zo vluchtig, zo kwetsbaar. Er hoeft maar een aardbeving te komen en je staat voor ruïnes en lijken. Misschien ben je zelf een lijk. Aardbevingen zijn voor de andere kant van de wereld, dat weten we, maar uitgesloten zijn ze hier niet. Zit je er misschien op te wachten? Een catastrofe. Het lijkt wel of iedereen erop wacht.

Meer en meer dringen de dromen zich op. Vóór je inslaapt, sturen ze je de weg van de irrationaliteit op. Wat niet bij elkaar hoort, zoekt een verband, vormt een onmogelijke eenheid die in elk van haar onderdelen een stukje realiteit is, maar in haar samenhang nonsens. Je staat onder water, ademt daar onbelemmerd. Onmogelijk. Je kunt wel een tijd onder water zwemmen en in de lucht kun je ademen. Dat wordt omgezet naar ademen onder water. Maar het gaat verder. Rondom je staan vissen onbeweeglijk, allemaal naar je toe gericht, op tien centimeter van elkaar, van vlak bij je huid tot zover je kunt zien, ze belemmeren het uitzicht. Je kunt niet bewegen, de vissen staan in de weg, rode vissen, allemaal even groot, zo een dertig centimeter lang, geen goudvissen, maar ze gelijken erop gelijk vissen op vissen gelijken. Het water ziet er oranjerood van. Je bent volledig ingesloten. Al kun je ademen, je krijgt de indruk dat je stikt. Je wilt weg, maar niets beweegt, jijzelf ook niet. Je wordt wakker, je snakt naar lucht. Je denkt verlost te zijn, maar de droom warrelt in je hoofd. Je staat nog tussen de vissen water te ademen. Of je komt uit een van de vele klassieke mislukkingen: je moet het vliegtuig, de trein, de boot, de tram of weet ik veel halen. Alles staat je in de weg, je zoekt vergeefs je reisdocumenten, op het laatste ogenblik moet je nog een boodschap doen, de auto heeft het net opgegeven, je krijgt de deur niet open, er ligt prikkeldraad rond je huis, je kunt niet weg want je moet de muur stutten die dreigt om te vallen, je bent in de sloot gesukkeld, de zon verblindt je, onverschillig welke richting je kiest, een onnoemelijk aantal onmogelijke tegenslagen verhindert je om op tijd te komen.

Je raakt het ellendige gevoel maar niet kwijt, ook niet als je al een tijd wakker bent. Als jong mens ga je aan het werk, je verwerpt zonder meer de droomtoestanden, er wacht een dag met verantwoordelijkheden: de dingen van het leven verdringen de dingen van de droom. Zo gauw je uit de sfeer bent, heeft het geen zin om verder te praten, je raakt de kern niet meer.

Waar en wanneer leven we? Slapen en dromen zijn niet afgescheiden van wat we als het echte leven zien. Het is de gewoonte om dromen voor onbestaande te houden, tenminste voor irrealiteit, volgens de meesten een andersoortige realiteit, bijna letterlijk een hersenspinsel.

Je droomt je droom echt, je leeft erin. Alleen ontsnapt ons de logica van de droom. We willen telkens weer met de logica van de waaktoestand de logica van het leven in en van de droom analyseren. Geen wonder dat het onmogelijk lijkt, dat het onmogelijk is. We ondervinden telkens weer dat de droom de felste aanval is op de logica. Nochtans wordt op alle gebied aan logica het hoogste belang toegekend.

- Dat gebeurt zelfs door wie een of ander geloof vooropstellen. Geloof steunt alleen op het verzinsel van openbaring. Om daarvan de logica te redden wordt het maximum aan logica, het maximum aan intelligentie - en het maximum aan alle andere goede eigenschappen trouwens - toegeschreven aan een onvoorstelbaar superieur wezen dat zich niet laat zien of kennen, maar zich door gezanten laat openbaren. Je kunt niet nog dieper in het centrum van verzinsel, bedrog en zelfbedrog gaan staan. -

Een logica binnen de droom is ons blijkbaar onbekend. Vandaar dat we met de logica van de waaktoestand de gebeurtenissen binnen de droom te lijf gaan. Het nefaste gevolg kun je raden. De onbeheerste en blijkbaar onbeheersbare vrijheid van de droom laat zich geen wetten voorschrijven van welke aard ook. De droom ontsnapt aan alle fysische, psychische, morele beperkingen. De enig mogelijke logica van de droom kan alleen binnen de droom zelf bestaan, zoals wij binnen ons eigen leven en denken een logica voor ons leven en denken opstellen. Aangezien iedereen droomt, is het best mogelijk dat iedereen de logica van de droom heeft doorleefd, ze heeft doordróómd, of ze van nature ergens diep in zich draagt. Alleen kun je je de wetten ervan niet meer voorstellen zo gauw je uit de droom ontwaakt. Sluitende wetten evenwel, binnen de droom zelf, ook als de hoofdwet bepaalt dat alle wetten zijn opgeheven. Maar dat is het uiterste geval. Het lijkt wel de gemakkelijkheidsoplossing, je bent van elke poging tot verder doordringen ontslagen.

Wat wij als wetten van het psychische uitdenken, komt alleen uit onszelf. Ik moet nog schrijven over de slaap, die van nu, de slaap van een mens die de 82 al voorbij is. Ook hier is het verschil met vroeger immens.Ik moet nog schrijven over de slaap, die van nu, de slaap van een mens die de 82 al voorbij is. Ook hier is het verschil met vroeger immens.

In de grond van de zaak zijn onze gedachten, overwegingen, wensen, niets anders dan belevenissen zoals alle menselijke belevenissen, maar dan ervaringen waaraan wij een uitzonderlijke waarde toekennen zonder te weten of we het recht hebben dat te doen. Wij bepalen de categorie waarin wij onze ervaringen, belevenissen, dromen, gedachten, redeneringen en al het overige onderbrengen. Wij bepalen de rangorde van waarden die we daaraan toekennen. Het komt geleerd over dat te doen. Of die rangorde met de realiteit enig verband houdt of die realiteit ook maar bij benadering beschrijft, is niet de zorg van wie zich ermee bezighoudt. Zoals al waar wij ons mee bezighouden dient het uitsluitend tot meerdere eer en glorie van wie het naar voren brengt.

Er bestaat evenwel een niet benoembare andere toestand of vorm van leven. Gemakshalve spreken we van slaap omdat we geen woordenschat ter beschikking hebben die ons in staat stelt om de levensfuncties of de afwezigheid ervan tijdens de slaaptoestand weer te geven. Zoals bij alle psychische toestanden kunnen we slechts bij benadering de ervaring ervan aanduiden.

Ik weet niet of de ervaring van het ontwaken als een samenkomen van ver uit elkaar verspreide elementen een algemeen verschijnsel is. Mij overkomt het vaak, om niet te zeggen bij ieder ontwaken. De eerste bewustwording kun je nauwelijks die naam geven, ze staat ontzaglijk ver van de bewuste toestand af. Het is een eerste stipje in een ruimte zo groot dat het stipje overal is. In die ruimte speelt het geen rol waar dat stipje zich bevindt. Het is een stipje dat geen onder of boven kent, geen plaats en geen tijd. Het is. Het is ergens. Dat ergens is tevens overal. Meestal verloopt de bewustwording van het ontwaken als een overgang van stipje-uit-alle-verten naar mens. Wat ik probeer te zeggen is dat het stipje van overal samentrekt naar het éne punt mens. De naamgeving 'stipje' schijnt op nietigheid te wijzen, en dat is het ook, maar door zijn overal-zijn is het oneindig uitgebreider, oneindig omvattender dan mens. Je bent opgedeeld in een groot aantal elementen die ergens ver hun ware plaats en bestemming kennen. Zelf ondervind je ze als gedeelten die alle opnieuw door versmalling hun plaats innemen in jezelf. Toch heb je na jaren de indruk dat ontwaken de schijn heeft opwekkend te zijn.

Al ondervond ik vaak tegenzin bij het ontwaken, toch is me tot hiertoe slechts één keer overkomen dat het ontwaken een vernietigende klap was.

Wat je beleeft, is een schok, een schokkend bewust worden. Het is onnoemelijk veraf, maar tevens zo present dat je weet dat het onherroepelijk is. Je weigert. Alles verzet zich tegen het opgeven van de gelukstoestand, het opgeven van het ongebreidelde bestaan zonder verplichtingen of tekorten, zonder bewustzijn van vóór of tegen, een bestaan dat alleen uit een louter bestaan bestaat. - Dat is wel erg redundant uitgedrukt. -

Het eerste vonkje bewustzijn is - en daaruit resulteert de schok - de aanwijzing van iets dat even later ik wordt, maar het op dat ogenblik nog niet is, omdat in feite het ogenblik niet is, het is net aan het ontstaan. Dat vergroot de schok, de machteloosheid, omdat de onomkeerbaarheid plots als het rampzalige verlies van de gelukzaligheid voor je staat. In een ontzaglijke versnelling onderga je de implosie van je geluk. Uit alle verten word je samengeperst tot jezelf. Het onnoemelijk nietige stipje dat een fractie van een seconde tevoren nog de meest uitgestrekte vervulling van alle geluk was, overal en zonder begrenzing, wordt uit dat immense maar door dat stipje beheerste voltooide volheid samengeknepen tot een onvolmaakt nietig wezen mens. De tegenstelling is brutaal. Vernietigd tot jezelf blijf je achter. Je bent verdoofd door de klap. Je weet dat je ontwaakt. Je weet dat je alles overhad om niet tot dit ontwaken te zijn gedoemd. Je weet dat het te laat is. Als je nu de beslissing neemt om naar de vorige toestand terug te keren, dan probeer je de onomkeerbaarheid omkeerbaar te maken. De onmogelijkheid ervan is evident. Strikt genomen geeft de onomkeerbaarheid waarin je terechtkomt en waartoe je veroordeeld bent, je zomin de macht als het recht om tegen haar in te gaan. Tenminste niet op dit ogenblik. Je buigt je hoofd en aanvaardt. Je ontwaakt in de beperkingen van dichtgetrokken gordijnen in een kamer met nauwelijks een schijntje licht.

De achteruitgang is zo groot dat ik me erbij neerleg.
Alhoewel.
Die uitspraak alleen al is het bewijs dat ik het niet doe.
Er zullen wel geleerde moedwilligaards bestaan die denken dat ik me verkeerd uitdruk, dat ik wat anders bedoel dan wat er staat. Ze weigeren te begrijpen, de zekerste manier om het niet te verstaan en om er lieflijke, aandoenlijke, interessante opmerkingen en beweringen over te maken of er schijnbaar imposante uiteenzettingen over te schrijven. Als je het allemaal zo goed bedoelt, kun je het daarbij laten. Je hebt je tijd nuttig besteed.
Denk aan Patricia, ocharm.
Ik zal het ze uitleggen.
Of liever, nee, aan boter en galg wil ik mijn kwijnende krachten niet besteden. Wie ook dat niet begrijpt, zal moeten wachten tot zijn vierentachtigste om het mee te maken.
Het is iedereen gegund.

Het komt zonder dat je het wilt, je krijgt af te rekenen met de zwaarste handicap die je kunt uitdenken: je raakt verlamd. Ik voel de grootste weerzin tegen het opschrijven van wat hier staat. Al dagen heb ik niet anders gedaan dan uitgesteld: morgen misschien. Elke volgende dag schuift de moeilijkheden verder, het blijft: morgen misschien. Het ergst van al is de onverschilligheid. Ik weet dat mijn belevenissen van oud man niet door iedereen kunnen verteld worden. We zijn niet met zo heel velen die de 84 bij volle verstand overschrijden. Van die weinigen is er percentsgewijze geen die de kracht opbrengt om zijn belevingen - zijn sensaties of het gebrek daaraan - nog op te tekenen ook.

Bovendien is het eerste wat opvalt de enorme tegenspraak. Drs P. is 93. In een interview zei hij dat hij niemand kon aanraden oud te worden, oud te zijn. Zelf is hij het dus wel. Hij heeft misschien niet zoveel meer gepresteerd als hij gewoon was, maar is blijven presteren en blijven succes zoeken. De tegenspraak tussen woord en daad kan niet groter zijn. Ofwel levert hij een mislukt grapje af, ofwel is hij een leugenaar. Eerlijk gezegd denk ik dat hij een soort van grapje probeert en terzelfder tijd staat te liegen. Het staat oude mensen zo netjes om te laten verstaan dat ze ondanks hun hoge leeftijd mentaal bij de pinken zijn. Wat ik hier doe, is niet anders. Alleen op ogenblikken van concentratie en taalbekwaamheid ga je noteren wat je bezighoudt. Als ik versuft voor het venster zit, is opschrijven uitgesloten. Precies daarom is het weergeven van de suffe momenten onbegonnen werk: in feite kun je alleen weergeven wat je op het ogenblik zelf doorleeft. Als alle kracht ontbreekt, hoe ga je dat dan noteren? Je noteert het niet, niemand. Als je noteert, ben je niet suf. Alleen in literatuur - en zeker niet de beste - vind je dergelijke onzin.

Als je de onzin weglaat die er verteld is, hou je weinig over. Hoeveel auteurs hebben de kans gekregen om op hoge leeftijd weer te geven wat ze meemaakten? Het inzicht dat je opdoet, is ook niet van die aard dat je er met genoegen over praat. Op enig succes kun je daarmee niet rekenen. Vandaar dat wie er toch over praten, de zaak een draai geven, om niet te zeggen dat ze liegen en bedriegen. De miserabilia van de impotente jaren spiegelen je geen aantrekkelijk toekomstbeeld voor, zeker geen panorama.
Mensen zijn niet op zoek naar de waarheid, ze hebben alleen hun eigen waarheid op het oog.

De verlamming komt neer op tegenwerking van de natuur, beter gezegd werking van de natuur. Eerlijkheid gebiedt je te zeggen dat alles in je, je hele gestel en tevens je mentale instelling, naar afbraak, naar ondergang is gericht. Natuur zoekt je zwakke punten en valt die aan. Heb je geen zwakke punten, dan zal de natuur die laten ontstaan, desnoods zo geleidelijk dat je het niet opmerkt voor het te laat is. Tot je zeventig ongeveer beschik je over voldoende verweer; of je meent daarover te beschikken. Dat is dus de plek die geviseerd zal worden. Desnoods zal zware verkoudheid of griep je immuniteitssysteem aangrijpen. Met wazig hoofd en wazige gedachten verlagen ze je tot vegeteren. Natuurlijk ga je met drankjes en pilletjes de 'vijand' te lijf. Dacht je? Wist je maar waar je hem moet raken. Het gaat ermee zoals met de boze geest waar Lucas het over heeft. Je drijft hem uit, maar hij keert terug met zeven andere geesten, nog kwader dan hijzelf. Heerlijk gezegd is dat. De ramp is dat je het moet ondervinden, doorstaan, ondergaan.

Met een restant aan moed probeer ik op te schrijven hoe ik mezelf ertoe breng om toch nog wat op te schrijven. Hoe wisselvallig. Onlangs had ik geen zin, nu heb ik geen zin, geen weerzin. Ik heb eerder niets. Ik heb geen dwingende gedachte, gevoel, neiging. Ik heb eigenlijk niks. Ik heb een vermoeid lijf dat van boven tot onder vermoeid is. Het wil niets. Of toch: het wil slapen. Was het maar allemaal niet nodig. Was ik er maar niet. Een hele tijd zit ik hier met niets anders dan: was ik er maar niet. Een keer of vijf, zes gaat het door mijn hoofd. Eentonig. Vervelend. Dan niks. Dan zit ik hier een tijdje en weet niet wat beginnen, niet wat doen. Wat altijd duidelijker wordt is dat je hoofd en je lichaam samengaan, het zijn niet twee grootheden die los van elkaar staan. Die twee grootheden, dat is je geleerd. Er is je geleerd geen rekening te houden met je lijf. Het geestelijke staat er ver boven. Wat een nonsens. Maar bewijs dat maar. Niemand vraagt aan de uitvinder van het geestelijke om een bewijs daarvan. Als je de zaken terug tot hun normale verhoudingen herleidt, moet je dat eerst nog bewijzen. Stel je voor. Hoe langer hoe meer zie je in dat alles bedrog is, spitsvondigheid, Streberei.

Om even gerust te zijn, doe ik mijn ogen dicht. Dat blok ligt daar dat ik opzij moet schuiven. Ik kan mijn ogen opnieuw openen, er ligt geen blok, maar van de twee mogelijkheden is ogen gesloten houden de gemakkelijkste. Het blok ligt daar toch, uit zichzelf gaat het niet weg. Het hindert me niet, ik kan het laten liggen en erlangs lopen. Iets dwingt me om het weg te duwen. Dus sta ik daar bij dat blok. Lange tijd. Je gelooft het niet, de tijd wordt langer, nog langer. Hoe verder ik kan zien, hoe langer de tijd wordt. Hij glijdt over de spoorlijn. Die loopt tussen de bergen naar de horizon, buigt af aan het water. Daarna is er alleen water, water en licht.
Laat mij maar gerust, ik hoef die storing niet. Het licht was juist mooi en het water zo helemaal glad. Het lijkt het geluid van de trein. Ik wil het niet horen, ik verdoezel de verre voetstappen. Ach, ik weet het ondanks alles, het is te laat, ik word wakker, ze stappen van de trein, ik zal hier de kasten zien staan en de tafel, de muren gaan me insluiten, het plafond. Het is hier eng en donker. Ik voel me krimpen tot mezelf. Was ik er maar niet.

Wat was dat voor een droom? Was het een kamer, alleen ruimte, alleen gevoel? Er was iets onoverkomelijks, vlakbij, je kon het met je hand raken, je deed het niet. Toen was je te wakker om nog te weten wat of waar het was. Je was niet meer dat wezen uit het andere bestaan, je werd weer de ik die uit bed stapte, half slaperig, duizelig een beetje, wat een akelig gevoel. De dag begint zonder vooruitzicht. Geen enkel. Wat moet ik doen? Er is niks. Goed dan, vooruit maar, eerst de medicatie en een kop koffie. Het dagelijkse ritueel, nee, dagelijkse sleur.

Schrijven was ooit een verlossing, je greep ernaar met twee handen tegelijk als dat had gekund. Nu is het een karwei waarvan je weet dat je het kunt uitstellen, afstellen, verwerpen. Laat maar, wat ik moet zeggen - wat ik wil zeggen - loont niet de moeite. Het is voorbij, alles is voorbij. Wat rest is tegenzin. Maar hoe zeg je dat tegen de mensen om je heen? Je kunt je niet als ondankbare hond gedragen. Dus zeg je dat het goed gaat, heel goed. Dat is ook zo. Je bent zesentachtig, er hapert je niks dan nu en dan een verkoudheid, gesukkel met het ene antibioticum na het andere, goed, dat wel, maar je spartelt erdoor. Je hebt herpes gehad in je linkerhand. November 2013 was dat. Het begon met vijf vlekjes midden in de palm van je hand. Je had de dag tevoren wat rottende planten weggeruimd, je dacht dat de huid ontstoken was. De vlekjes groeiden. Ze groeiden aan. Het werden er tien, twaalf, vijftien, ze tierden welig aan alle kanten. Het was op woensdag 20 begonnen. Op maandag 25 was de pijn niet om uithouden. Dus naar de kliniek. Ik moest blijven. Een week antiviraal infuus. Alleen de dokter schijnt te denken dat het helpt.

Wat een nasleep van narigheid, die herpes! Na zes maanden tintelt en schroeit mijn linker wijsvinger nog, sinds maanden is er geen beterschap. Ik kan die vinger niet strekken, niet helemaal plooien. Hij is lichtjes gezwollen. Hij stoort me de ganse dag. Wat nut heeft het om je huisgenoten daar lastig mee te vallen? Naar best vermogen doe je of de herpes niet bestaat.

Schrijven een verlossing? Het heeft me veertien dagen gekost om de vorige twee alinea's te noteren. Ik lijd aan de oude-mannetjesziekte: lummelen, wegdoezelen, slapen. Kom, schuif alles weg, alle verantwoordelijkheid, alle verplichting, alles wat moeite of inspanning kost. Mijn hoofd is verlamd. Ikzelf? Nee, ik ben niemand. Het kan maar weinig moeite kosten om over te stappen naar het vegeteren, naar de rust zonder contact en verplichting. Je hoeft maar een duwtje te geven en je bent over de grens. Dan kom je nooit meer terug.

Weer een alinea van een paar uur. Je zit verbluft, versuft, verslagen. Je? Ik? Wat een ellende. Stop ermee.

Kliniekbelevenissen kunnen je niet opvrolijken. Stel je voor, je wordt opgenomen met een longaandoening die niet wil beteren. Je hoest en fluimt al maanden, telkens perioden van twee, drie weken met na een paar dagen stijgende koorts. Bij de eerste aanval roep je de dokter die een antibioticum voorschrijft. Het lijkt te helpen, maar na een week zet de koorts opnieuw op. Een ander antibioticum. Zelfde scenario. Een derde antibioticum. Dat lijkt beter. Maar na drie weken begint weer die verlamming, lusteloosheid, versuftheid, koorts. Nog maar een ander, deze keer veel sterker antibioticum. Resultaat? Na veertien dagen zit je met een gezwollen hoofd, die indruk heb je alleszins, en de koorts davert door je lijf zodat je niet meer weet waar je ligt of zit.
Ten einde raad stuurt de dokter je naar de kliniek. Onderzoek hier, onderzoek daar, ze voeren je rond, je beseft maar half wat er gaande is. Wel krijg je infuus en een antibioticum dat alleen in klinieken kan of mag worden toegediend. De derde dag voel je dat het werkt, je staat - ik wil zeggen: je ligt - met een ander levensgevoel in je lijf, je weet dat het kwaad deze keer is doorbroken. Hoe je dat weet, kun je de anderen niet verklaren, het is een diepe, intense levenswil, de zekerheid dat je het niet hebt opgegeven en het niet opgeeft. Ik ben weer ik, ik kom erdoorheen.

De vijfde dag komt een jongedame aan je bed en zegt je dat ze dokter is. Waarop ze je overvalt met de mededeling:
- Meneer, we zullen een biopsie moeten uitvoeren.
Het klinkt me zo ongeloofwaardig in mijn oren dat ik haar antwoord:
- Een biopsie, dokter? Nee, dat laat ik niet doen.
Ze begint een uitleg over gezwollen kliertjes bovenaan tussen de longen. De zwelling is vastgesteld bij het laatste röntgenonderzoek. Ik onderbreek haar en zeg dat er mag vastgesteld zijn wat wil, maar dat de beslissing over de uitvoering van een biopsie bij mij ligt, niet bij haar. Dat ontketent al haar duivels. Ze legt mij op dat ik moet zwijgen en haar eerst moet laten uitspreken. Ze zegt het verre van beleefd, maar dat is tot daaraan toe. Jonge dokters zijn in de geneeskunde opgeleid, niet in de beleefdheid. Ik laat haar het woord. Ze gaat zitten, kijkt me niet aan, steekt een redevoering af die niet ter zake doet. Ze dreunt haar cursus op, denk ik. Ze doet het met gesloten ogen, om de twintig tot dertig seconden knippert ze even. Ze lijdt aan een ernstige zenuwtrek, op die manier spreek je niet tegen een patiënt. Ik laat haar uitpraten. Als ze eindelijk zwijgt, zeg ik haar:
- U kent uw cursus goed van buiten, maar dat helpt mij niet. Ik weiger biopsie om de eenvoudige reden dat geen dokter mij nog kan helpen als de uitslag ervan op de aanwezigheid van kwaadaardige cellen wijst. In dat geval is de weg voor de verspreiding van het kwaad opengemaakt.
Ze briest bijna. Ze is typisch één van die jonge dokters die niets anders zien dan hun cursus geneeskunde. Die kennis geeft hun het recht op de ultieme beslissingen, denken ze. Van enige menselijkheid is bij hen geen sprake, ze zien geen mens meer, ze zien alleen 'gevallen'. Let op, ze verdedigen die houding ook met klem.

Bij een punctie is het gevaar op uitzaaiing het grootst, daar wordt een afgesloten gezwelletje doorprikt, het ergste wat je met dat gezwelletje kunt doen. Bij een biopsie is het risico misschien iets minder groot, er wordt een stukje weefsel weggenomen. Maar ook daar wordt opzettelijk een wonde gemaakt aan weefsel waar je moet afblijven. Alleen de dokters zijn blij met dergelijke ingreep, het helpt de wetenschap vooruit - terwijl zij de patiënt ter dood veroordelen. Na een punctie in een kwaadaardig gezwel blijven er de patiënt maximum drie jaar. Ik heb een dokter - geloof het of niet: een dame - tegen de patiënt weten zeggen:
- Ik heb je nog drie jaar geschonken.
Het excuus van de dokters luidt dat de patiënt toch niks beters te wachten staat, misschien kunnen ze met geneesmiddelen de pijn verzachten. Het blijft bij misschien. Vooraf zijn specialisten bereid om te zeggen dat ze geen helderzienden zijn. Hun wijze van handelen bewijst een volstrekt andere overtuiging.

Het gaat op andere afdelingen niet beter. De herpes-affaire! Dat was bijna een jaar later. Je ligt maar twee dagen in de kliniek of de pijn zet onverdraaglijk op. Zo gauw je de dokter daar wat over zegt, verwijst ze je naar de pijnkliniek. Ze stoppen je in een wagentje, voeren je weg. In een lange gang zit je te wachten. Niemand. Het duurt een hele tijd. Een eind weg gaat een deur open. Een verpleegster komt de gang op, loopt aan de overkant een andere deur binnen. Je zit. Je wacht. Weer een deur die opengaat. Een werkman op klompen en met zwaar, mouwloos vest gaat midden op de gang staan rondkijken. Hij loopt de kamer in waar hij buitenkwam. Een paar minuten later is hij daar weer, komt langs je voorbij, geeft een teken aan een verpleegster die aan de overkant uit weer een andere deur verschijnt. Je vraagt je af wat er gaande is in die zielloze gang zonder woorden. De verpleegster komt naar je toe en voert je een kamer in.
- De dokter komt direct.
Ze is weg vóór je wat kunt vragen. Je wacht.
Plots komt de man op klompen binnen, gaat aan de tafel zitten en bladert in papieren.
- Ha! Van 1928!
Hij kijkt je recht in je gezicht.
- Ben je bang om te sterven?
Dat slaat alles. En hij tutoyeert. Je laat je niet van streek brengen door een buffel, ik vraag:
- Bent u de dokter?
Hij knikt. Op dat ogenblik zegt mijn zelfrespect mij dat die man mij niet zal behandelen, onverschillig wat hij voorstelt. Hij vraagt of ik pijn heb hier, pijn daar, pijn zus en zo.
- Ha, dat is duidelijk, dat wordt een epidurale.

De volgende dag om tien uur komt een man met een karretje me ophalen, hij brengt me naar diezelfde gang. Ik zit. Ik wacht. Als de dokter verschijnt, zeg ik hem dat ik geen behandeling wil.
- O, maar dat kan niet. Die epidurale is absoluut nodig, en wel binnen de vijf dagen na het optreden van herpes.
- Ik denk dat u zich vergist, dokter, ik weiger die behandeling.
Hij kijkt me aan met een soort van ongeloof dat beduidt: oei, de patiënt is gek.
- Dat kan niet, die behandeling is absoluut noodzakelijk.
- Dat is uw mening, dokter, maar de beslissing ligt bij mij. Ik wil die epidurale injectie niet. En nu wil ik teruggevoerd worden naar mijn kamer.
Hij bekijkt me een tijd. Zijn ogen zijn mat, uitdrukkingsloos. Je ziet het, hij snapt er niets van. Hij haalt zijn schouders op en loopt weg.

Het heeft met herpes niks te maken, wel met de kliniek en de werking ervan. Als je in het AZ wordt opgenomen, vragen ze je naar de medicatie die je thuis neemt. Van dan af neemt de kliniek de zorg voor de regelmatige toediening over. Elke morgen rond acht uur brengt een verpleegster de nodige pilletjes en tabletjes. Voor mij is dat Selozok 100 mg, Asaflow 80 mg en een tabletje Coruno.

Die morgen is het al tien uur als me te binnen schiet dat ik mijn medicatie niet heb gekregen. Aan de verpleegster die langskomt, vraag ik ernaar.
- U moet niet zo ongeduldig zijn, meneer, de medicatie komt, vandaag is dat toevallig wat later.
Daar heb je je bedenkingen bij. Nou goed, dan maar een tijdje wachten. Die herpes en vermoedelijk de medicatie die ik langs het infuus naar binnen krijg, maken me wat lomer. Ik voel geen reactievermogen. De tijd druppelt de kamer uit. Een vreemd gevoel, er blijft niets over.
Als 's middags het eten gebracht wordt, vraag ik opnieuw:
- En de medicatie?
Tot mijn verbazing krijg ik hetzelfde antwoord. Wat kan ik doen? Mijn verward hoofd zoekt naar oplossingen. Niet dat ik me uitzonderlijk slecht gevoel, maar het gebrek aan Selozok en Coruno maakt me zwakker, niks ernstigs, ik voel me niet eens in staat om te weten of het ernstig is of niet.
Na het middageten val ik onvermijdelijk in slaap. Ik heb het altijd ellendig gevonden, maar na de middag heb ik een pauze nodig, mijn gestel weigert dienst.
Mijn katholieke opvoeding heeft ervoor gezorgd dat ik dat tijdverlies als bijna zondig ervaar, een gevoel dat niet wil overgaan, het ontwaken is elke keer een gevecht tegen een berg ongearticuleerde verwijten, tegen zwartgalligheid, tegen een ziek hoofd. Het is die dag niet beter dan anders. Ik lig wat rond te kijken, te suffen. Er is niks gezelligs aan de kamer, alles lijkt dof. Machteloosheid is het enige wat rond je hangt. Je gaat een beetje verliggen, het infuus in je arm stoort je.
Om vier uur na de middag brengt een verpleegster de medicatie. Je bent te zwak om enige reactie op te brengen, je laat begaan, je slikt je tabletjes en suft voort.

Na een week ben ik weer thuis. Agnes is niet gerust, ze haalt er de huisarts bij. Die zegt dat de voorgeschreven medicatie bijzonder zwaar is, hij raadt andere middelen aan. Het levensgevoel keert terug. Ik besef dat ik aan het verdoffen was, alle interesse verdween, alle aandacht, ik zat en wachtte, deed niets, dacht niets, alle functies lagen lam. Nu mijn levensbesef weer opstaat, realiseer ik me wat er is voorgevallen in de kliniek, de onverkwikkelijke zaak met de medicatie. De ware toedracht dringt door, maar het is te laat om te reageren. Het blijft nazinderen. Hoe kan het dat in een kliniek de patiënt zijn medicatie niet tijdig krijgt toegediend? Het is moeilijk om aannemen dat je hét uitzonderingsgeval bent. Die indruk had je niet, niemand maakte zich druk om medicatie die acht uur te laat kwam. Nee, dat kan onmogelijk door de beugel. Je weet dat je als patiënt overgeleverd was aan de willekeur van onbekwamen, een hoogst onaangename vaststelling.

Plots voel je jezelf weer op een peil waarop zelfbeschikking mogelijk is, waarop je weet dat je zienswijze correct is en je oordeel gebaseerd op argument en tegenargument. Tijdens de maanden toen je niets noteerde, is zoveel voorgevallen dat je in beslag nam. Achteraf zie ik dat onvoldoende helderheid het onmogelijk maakte om voldoende genuanceerd indrukken en bedenkingen weer te geven. Meer dan een jaar geleden overleed Alena - wij noemden haar Lena -, mijn jongste zus, de laatste van mijn drie zussen. Het wegvallen van de laatste familieband was vermoedelijk van meer invloed dan ik voor mogelijk hield. De niets ontziende natuur laat je vallen als je niet bereid bent om je te laten meevoeren door haar niet aflatende stuwkracht. Daartegen is niets opgewassen. Het is een bekende wet waarvan de betekenis en de grondslagen tot nu toe onbekend zijn gebleven. Het ondergaan van die wet kan ons de indruk geven dat we ze begrijpen. Van begrip is geen sprake. In vele gevallen van aanvaarding evenmin, maar de nutteloosheid van het niet aanvaarden is zo overweldigend groot dat de meesten onder ons daar niet eens aan denken. Er wel aan denken lijkt een opdracht voor een krankzinnig filosoof.

Het is moeilijk om weergeven wat er precies gaande is. Langzamerhand zet de aftakeling in, zo langzaam dat je ze in het begin nauwelijks waarneemt. Voor mezelf was ik tot mijn achtenzeventig betrekkelijk stabiel. Dat jaar was de achteruitgang groot in vergelijking met wat ik al had meegemaakt.
Om het in een beeld weer te geven: we bouwen elk een wolkenkrabber op. Sommigen halen nauwelijks de grondvesten, sommigen niet eens de eerste verdieping. De meesten gaan een heel eind hoog. Plots kan het gedaan zijn. Maar heel wat mensen halen een flink aantal verdiepingen. Op een bepaald ogenblik stokt de bouw. In plaats van verder de hoogte in te gaan, zak je elk jaar een paar treden. Voor mezelf moet ik toegeven dat ik tussen mijn zestig en zeventig jaar ongeveer op dezelfde etage verbleef. Ten hoogste ging ik een treetje lager staan. Na mijn 78 daalde ik plots twee verdiepingen. Afschuwelijk was dat. Maar geen ramp, ik stond nog hoog. Tussen mijn 80 en 87 ben ik elk jaar een etage gedaald. De laatste maanden is het erger, ik voel mezelf elke maand ten minste een verdieping lager gaan. Afschuwelijk. Het lijkt wel of het gewicht van de bovenliggende etages op je schouders gaat drukken. Je komt in psychische ademnood. Je wil wel aan het werk gaan, maar dat blijft bij willen. Zo gauw ik voor de computer zit, weigert mijn hoofd te formuleren wat ik wil zeggen. De gedachten zijn er, maar ze dwalen af. Of je vindt de formulering, maar als je ze wil opschrijven, vind je ze niet terug. Soms is het beangstigend en geef je het op. Soms leiden je gedachten je weg, je weet niet waarnaartoe. Als ontwikkeld mens wil je de draad niet loslaten. Het lijkt wel of de draad jou loslaat. Dan sta je voor de vraag: bestaat de draad? De vraag wordt benauwend ernstig. Je gaat er liever niet op in. Hoe moet je er op ingaan? Je weet niet waar beginnen.
Beginnen? Je bent altijd bezig met de vraag naar de zin. De angst duikt op dat je vermoeienis je niet meer in staat stelt om de ene steen bij de andere te leggen. Je ziet een hoop stenen en daar blijft het bij. Bouwen is een inspanning die te hoog ligt, zover kom je niet meer. Dan komen de vragen. Bij de minste moeilijkheid komen de vragen. Dat was altijd al, maar nu zijn de vragen heftiger. Nu vraag je je af op welk ogenblik je verantwoord dacht. Maar wat is verantwoord denken? Wie bepaalt wat het is en hoe het moet? Alles begint opnieuw. Het is te vermoeiend, je gaat een kop koffie drinken, of je moet je nog scheren, of je moet naar de apotheek, of je moet onverschillig wat, in ieder geval iets waardoor je je vroeger niet liet afleiden. Nu wel. Het kost moeite, geen geringe moeite, om te bekennen dat de afleiding opluchting betekent. Nog een beetje en je zegt: ik stop ermee, het is genoeg geweest. Zelfs het besef daarvan laat je bijna onverschillig.
Als ik het over mezelf heb, noem ik de ik vaak je. Op die manier heb ik na mijn zestiende meestal aan mezelf teruggedacht. Het kind dat ik was, is niet ik, ik ben een jij. Ik ben een ander voor mezelf, iemand die ik observeer, gewoon iemand anders, niet iemand met wie ik me verwant voel. Daarom schrijf ik over die je, die ander hier bij me, al besef ik dat het mezelf betreft.

Ik vraag me vaak af hoe eerlijk anderen tegenover zichzelf staan. Je kunt ze alleen naar hun uitlatingen beoordelen en naar de manier waarop zij zich voordoen, en voor velen zijn die grotesk leugenachtig.

Het is zo onmogelijk wat er gebeurt. Mensen van vijfentwintig jaar beslissen voor eens en voor altijd dat zij door God zijn uitverkoren. Ze hebben daarvoor niet het geringste spoor van bewijs, maar verkondigen het zonder blikken of blozen en worden door sommigen blijkbaar geloofd. Enig nadenken toont aan dat de god die hen zou hebben uitverkoren niet eens kan bestaan. Niets brengt ze af van hun vooropstelling, ze is ten hoogste gebaseerd op oude misvattingen. Zij beslissen, en daar blijft het bij. Of ze paus zijn, generaal of groentje, allemaal zijn ze door dezelfde waanzin gebeten. Dat ze zichzelf de kans op ontwikkeling, op geestelijke expansie en verrijking ontzeggen, zien zij voor de hoogste vorm van verlichting aan. Op alle gebied is het een ramp als een mens van boven de tachtig niet verder staat dan iemand van vijfentwintig. Alleen priesters stellen het voor alsof zij daarop de glansrijkste, uitzonderlijkste uitzondering zijn. Het is bekend dat je met leugens veel gemakkelijker succes oogst dan met de waarheid. Hoe groter de leugen, hoe gretiger ze wordt geslikt.

De oude misvattingen waar ik naar verwijs zijn onder meer het fabeltje over Adam en de verboden vrucht. Heel de heilsvoorspelling steunt op het verleggen van de verantwoordelijkheden. Wie het mogelijk acht dat een schepper de verantwoordelijkheid voor zijn tekortkomingen bij het schepsel legt, beschikt over een merkwaardig luchthartige fantasie.
In verband daarmee staat die andere fundamentele misvatting die voorhield dat de natuur in se goed is, alleen de mens niet, die keerde zich af van God. In mijn jonge jaren heb ik dergelijke nonsens bij herhaling van priesters moeten aanhoren. Wat moet je daartegen beginnen, als je bovendien niet anders te horen krijgt dan dat zij, de priesters, rechtstreeks door God over ons zijn aangesteld om ons te onderrichten? Ze legden de wereld en het heelal hun wet op. Die priesters hadden er geen weet van dat alles in de natuur het andere wil overheersen, ten onder brengen, verscheuren. Alles bestaat op basis van het bestaande. Cru gezegd: het ene vreet het andere op. De mens is in niets een uitzondering.
De oude verklaringen over de natuur gingen zelfs verder. Alles buiten de aarde was perfect en eeuwig onveranderlijk, de hemellichamen waren perfecte bollen die in perfecte cirkels rond de aarde draaiden. Wat konden de mensen met zulke sprookjes aanvangen? Verzinsels kunnen alleen andere verzinsels ondersteunen. Het heeft tot Copernicus geduurd voor we wat klaarder gingen zien. Prettiger was dat daarom niet. Alleen de godsdiensten bleven en blijven hun hersenspinsels met verdichtsels aanvullen.

Akelig is de niet te overwinnen vermoeidheid. Zoveel uren van de dag drukt die je terneer. Je weigert eraan toe te geven, maar het blijft bij een passieve weigering, je denkt en hoopt dat je kunt weigeren. Ondertussen zit je op je stoel en bent niet in staat enige gedachte op papier te zetten, op het scherm bedoel ik. Je bent niet in staat tot formuleren. Vaag weet je wat je wil uitdrukken. Je vermoeide hersens staan je niet toe om enige argumentering of uiteenzetting te beginnen. Je zult wachten. Doe je het niet, dan kun je achteraf alles schrappen wat je meende zinvol te hebben genoteerd.
Het haalt niets uit. Je vermindert de druk van de uren vermeende nutteloosheid niet. Je zit, suft en weet dat het optekenen van je gedachten of het gebrek daaraan zinloos is. Het enige wat zich manifesteert, is de band van alles met alles. Je hoeft niets te doen of te denken. Al dat zogezegd doen en denken is in zijn volkomen nietigheid wel deel van de zin en het streven van het heelal: vooruit, zonder nadenken vooruit, onverschillig waarnaartoe. De tijd is de meesten al lang voorbij.

Het spreekt voor zich dat je het voorgaande niet schrijft op ogenblikken van versufte vermoeienis. Alleen als je voldoende helder denkt, ben je in staat de grote samenhang te zien. Alle verzinsels van wensdromen en geloof moet je van je hebben afgezet. Vooral de fabels en drogredenen van het geloof staan de mens in de weg. Er zijn grapjassen die ons willen wijsmaken dat geloven een vorm van weten is. Je kunt de waarheid moeilijk een fellere draai geven. Geloven is de meest agressieve vorm van niet-weten. Vandaar dat paus en gelovigen moeten verzinnen dat geloven niet alleen een vorm van weten is, maar dat het bovendien een weten is dat het gewone, menselijke weten op alle manieren overtreft. Je kunt het niet buitenissig genoeg maken. Voor hen ligt de oplossing altijd in 'het mysterie van het geloof.' Leve de mysteries, die hoef je alleen te verkondigen en door anderen te doen geloven; je hoeft ze niet te verklaren, daar zijn het mysteries voor.

Het gaat voorbij. Je ligt een tijdje in de kliniek, een hoopje ellende, uitzichtloze uren. In al zijn uitzichtloosheid gaat de tijd voorbij met dezelfde hardnekkigheid van slepende duur, moment na moment dat overboord valt en verdwijnt. Het is weg, je haalt het nooit terug. Het neemt alles mee wat je op dat ogenblik deed gloeien van vreugde of je deed verstenen van onverdraaglijk ongemak. Weg is het. Als had het nooit bestaan. De momenten van zwak geluk zijn een vlekje herinnering even goed als de uren verschrikking. Alleen op het ogenblik zelf was de rampspoed zo groot dat nergens een glimpje hoop de somberheid van paniek doorbrak. Een constant gevecht was het, uren van vastklampen aan het wanhopige ik: doorstaan... doorstaan...

Het kost moeite. Het kost mateloos veel moeite. Dus doe ik het niet. Al maanden doe ik het niet. Ik wil naar de computer om het op te schrijven. Als ik bij de computer zit, is het te veel. Waar moet ik beginnen? Het ontgaat me. Ik ben te moe. Elke zin is een marteling. Elke keer is het niks geworden, desnoods een paar zinnen die ik heb weggeveegd. Ik zit naar het scherm te kijken. Ik heb geen zin om te schrijven. Ik sluit het scherm.

Het wordt een ondraaglijk zware opdracht. Indien ik wil uitspreken wat me belast, heb ik krachten nodig waar ik niet meer over beschik. Onverstaanbaar is de vermoeidheid die van 's morgens af me terneer drukt. Je kunt er niet tegenop. Ze duurt de hele dag. Voortdurend denk je: nu zal het beter gaan. Zo gauw je wat wilt aanvangen, steekt ze de kop op en schudt nee. Je laat het dan maar. Misschien later. Misschien ooit.

Ik heb er de moed niet voor. Dan maar zonder moed, denk ik, maar ik begin er zelfs niet aan.

'Met de moed der wanhoop' is het cliché dat je aan het werk zet. Doorbijten is ons geleerd. Ik bijt door. Dat denk ik. Even. Nog vóór ik begin, geef ik het op.

Eigenlijk is het zinloos. Om te beginnen is alles ooit al gezegd. Alleen helpt dat niet, degenen die het zouden moeten horen en overdenken, weigeren te luisteren, zij beweren de waarheid te bezitten, zij zijn voorgelicht door hun geloof. Daar kan geen zinnig mens iets tegen beginnen. Het baat niet dat je ze erop wijst dat geloven gebaseerd is op totale onwetendheid. Zij zijn zo dwaas om te beweren dat geloven een hogere vorm van kennis betekent, het kennen van het onkenbare, van het alles overtreffende. Wie de absurditeit van zulke bewering weigert in te zien, kun je niet meer helpen.
Spijtig genoeg zijn zij de aanstichters van onnoemelijk veel leed en kwaad in de wereld. Ze zijn niet gelovig, ze zijn hardnekkig. Neem de paus. Hij zegt elke dag Credo. Daarna spreekt hij zich zo flagrant mogelijk tegen door over 'de levende god' te praten. Credo betekent: 'ik aanvaard, maar weten doe ik niets'. Geen enkel geloof steunt op weten, alle geloof is blind aanvaarden van wat iemand ooit heeft beweerd zonder de geringste aanwijzing. Daarna vergeet hij telkens te zeggen dat het om de god van zijn geloof gaat als hij over god spreekt.

- Dat zoveel nadruk ligt op de 'levende' god wijst op de onderduimse twijfel. Als je 'levende' god zegt, impliceer je de tegenstelling 'dode' god. 'Dode' god is trouwens een idiotie. -

Ultieme vaststelling - 89 jaar

Er is geen enkele essentiële vraag waarop een eerlijk mens een antwoord weet. Al wat ons betreft, onze oorsprong, onze toekomst, ons wezen, onze betekenis, onze opdracht of het gebrek daaraan, alles, maar ook alles wat ons wezen, ons bestaan, ons zijn betreft, ligt in volstrekt duister, is voor ons onbereikbaar, onkenbaar, zozeer dat je eerlijkheidshalve moet concluderen: het bestaande heeft de waarde van het onbestaande, dat wil zeggen: nihil.


Dr. Fa Claes

 

 



Terug naar Index