Joost van den Vondel


Wie is het die zo hoog gezeten

Wie is het, die zo hoog gezeten, zo diep in 't grondeloze licht,
door tijd noch eeuwigheid gemeten noch ronden,
zonder tegenwicht bij zich bestaat,
geen steun van buiten ontleent
maar op zich zelve rust
en in zijn wezen kan besluiten
wat om en in hem - onbewust van wankelen -
draait en wordt gedreven om 't een en enig middelpunt:
der zonnen zon, de geest, het leven,
de ziel van alles wat gij kunt bevroeden of nooit kunt bevroeden;
het hart, de bronader, de oceaan en oorsprong
van zo vele goeden als uit hem vloeien
en bestaan door zijn genade en alvermogen en wijsheid
die hun 't wezen schonk uit niet,
eer dit in top voltogen paleis, der hemelen hemel, blonk,
waar wij met vleugels de ogen dekken voor aller glansen Majesteit;
terwijl we 's hemels lofgalm wekken
en vallen uit eerbiedigheid, uit vrees, in zwijm op 't aanzicht neder?
Wie is het?
Noemt, beschrijft ons hem met ene serafijne veder.
Of schort het aan begrip en stem?

 



Dit is de reizang aan het einde van het eerste bedrijf van Vondels Lucifer. Om de leesbaarheid te vergroten heb ik in Vondels tekst een paar woorden aangepast en de schikking van het gedicht veranderd. Volgende versie benadert het origineel veel dichter. De tekst in Vondels spelling volgt achteraan.


Wie is het, die zo hoog gezeten,
Zo diep in 't grondeloze licht,
Door tijd noch eeuwigheid gemeten
Noch ronden, zonder tegenwicht
Bij zich bestaat, geen steun van buiten
Ontleent maar op zich zelve rust
En in zijn wezen kan besluiten
Wat om en in hem, onbewust
Van wanken, draait en wordt gedreven
Om 't een en enig middelpunt;
Der zonnen zon, de geest, het leven;
De ziel van alles wat gij kunt
Bevroên of nimmermeer bevroeden;
Het hart, de bronaêr, de oceaan
En oorsprong van zo vele goeden
Als uit hem vloeien en bestaan
Door zijn genade en alvermogen
En wijsheid die hun 't wezen schonk
Uit niet, eer dit in top voltogen
Paleis, der hemelen hemel, blonk;
Waar wij met vleugels de ogen dekken
Voor aller glansen Majesteit;
Terwijl we 's hemels lofgalm wekken
En vallen uit eerbiedigheid,
Uit vrees, in zwijm op 't aanzicht neder?
Wie is het? noemt, beschrijft ons hem
Met ene serafijne veder.
Of schort het aan begrip en stem?

 




Ik ben de mening toegedaan dat je niet gelovig hoeft te zijn om gedichten goed te vinden die duidelijk met gelovige bedoeling zijn geschreven. Vondel was in 1641 katholiek geworden en schreef de "Lucifer", waaruit deze Reizang komt, in 1654. Het gedicht is gelovig in die zin dat het reeds een god veronderstelt van bij de eerste woorden. Het vraagt naar iemand die ergens heel hoog is gezeten en die de oorsprong is van alles. Als ongelovige kost het me geen moeite om eens eventjes mee die vraag te stellen. De vraag is zo superieur gesteld, zo prachtig in haar verwoording, dat ze verdient om woord voor woord te worden genoten.

Wij realiseren ons niet altijd dat Vondel de grootste Nederlandse dichter van alle tijden is. We realiseren ons nog minder vaak dat hij bij de grootsten van alle tijden hoort. Wie Franse, Engelse, Duitse algemene literatuur-geschiedenissen raadpleegt, ondervindt dat Vondel met grootheden als Vergilius en Dante wordt gelijkgesteld. Zoveel anderen met grote naam als Shakespeare, Goethe, Racine, Corneille, worden lang niet zo hoog aangeslagen. Ze halen ook de weidsheid van visie en de kracht van uitdrukking niet die Vondel eigen was, al zijn ze nog zo goed, en vooral: al worden ze vaak zo hoog geprezen, vaak meer en hoger dan Vondel, een fout die zelfs door veel Nederlanders wordt gemaakt.

Begrijpelijkerwijze is het moeilijk het hoogste van het hoogste te leren verstaan. Dat eist meer inzet en volharding dan goede wil, want die is er, beweren velen, hoewel je er geen resultaat van ziet. Het is zoveel gemakkelijker om het democratisch te houden op een gebied waar van democratie geen sprake kan zijn, het heeft er niets mee te maken. Ieder zijn visie, zeggen veel mensen dan, en bedoelen daarmee dat elke visie de andere waard is. Maar ook daar heeft het niets mee te maken. Het grote probleem is het peil dat iemand wil bereiken, het peil waarop je wil leven en denken en mens zijn. Daar stelt zich dan het probleem wie dat peil vaststelt. Wie Vondel zo hoog aanslaat staat relatief eenzaam. Bach staat uitzonderlijk hoog als componist, maar niet volgens de armzwaaiende massa bewonderaars van zangeressen en zangers die zich in het zweet staan te werken op de meest omstuwde podia ter wereld. Als je met het aantal fans rekening houdt is Bach een klein jongetje. Als je met het aantal lezers rekening houdt is Vondel ongeveer niets. Maar waar moet je dan rekening mee houden? En hoe geraak je zover dat je er kunt rekening mee houden?

Het is aan te raden om bij stukjes en beetjes de tekst te leren verstaan. In al zijn eenvoud bevat dit gedicht zoveel aan oudere woorden en samengestelde zinnen, dat het onmogelijk is alles in een keer te verklaren en te begrijpen. Alleen aan wie geduldig, stapje voor stapje verder gaat worden pracht en praal en overdaad een bron van niet aflatende schoonheid.

De vraag is: Wie is het die uit zichzelf bestaat en alles in zich omvat. Die ene zin werkt Vondel uit tot een verbluffend gedicht.

Het begin lijkt eenvoudig: Wie is het die zo hoog gezeten... Maar van dan af lopen we schier verloren in de bijzinnen. Wie zit daar zo hoog, zo diep in het grondeloze licht? En hij is door tijd noch eeuwigheid gemeten noch ronden: de ronden zijn de hemellichamen, een aanduiding voor de ruimte. Bedoeld is dus: wie is het die niet gemeten wordt door tijd en eeuwigheid en evenmin door ruimte...
Maar de zin gaat verder: Wie is het die...zonder tegenwicht bij zich bestaat en dat betekent: wie is het die uit zichzelf bestaat zonder tegenhanger, zonder tegendeel. Alles in de wereld heeft zijn 'tegengewicht', zijn oorzaak, alles is in zijn bestaan afhankelijk van iets anders. God niet. God ontleent geen steun van buiten, maar (be)rust op zichzelf. God bestaat zonder tussenkomst, zoals theologen het zeggen: God is door en uit zichzelf.
Die God omvat alles in zijn wezen. Vondel zegt het: ...en in zijn wezen kan omsluiten wat in en om hem... draait en wordt gedreven. Al wat draait is al wat beweegt en wat wordt gedreven is wat wordt voortbewogen. Dat bedoelt dus alles, het universum. God omvat alles.
Een klein deeltje van de zin bleef even buiten beschouwing, er staat namelijk een bepaling bij hem (God): onbewust van wanken. Dat woord kennen we nog in wankelen, dat wil zeggen in labiele toestand zijn, veranderen. God is dat niet. Vroeger hoorde je over God spreken als "de onbewogen beweger". God zelf is onveranderlijk, al het andere wordt door hem voortbewogen, vandaar: hij is onbewust van wanken, hij weet van geen veranderen.
Dus stond er: Wie is het die... in zijn wezen alles kan omvatten wat beweegt en bewogen wordt om het één en enig middelpunt... Dat middelpunt is God zelf natuurlijk. Ter verduidelijk voegt Vondel er wat bijstellingen aan toe: dat middelpunt is der zonnen zon, de geest, het leven, de ziel van al wat wij kunnen begrijpen. Vondel gebruikt het oude woord 'bevroeden', één keer in samentrekking: bevroên. Nimmermeer betekent natuurlijk nooit. God is de ziel van al wat wij kunnen begrijpen en zelfs van al wat wij nooit zullen begrijpen. Dat is een beetje een goedkope toevoeging, die is immers nooit te verifiëren. De uitspraak is een beetje hol maar ze klinkt wel indrukwekkend. De opsomming is nog niet ten einde, God is niet alleen der zonnen zon, de geest, het leven, de ziel etc., maar ook het hart, de bronader, de oceaan en oorsprong van al het goede dat uit hem vloeit (wat een spontane beweging aanduidt) en ontstaat uit zijn genade en almacht (alvermogen) en wijsheid. Uit het niets schonk die wijsheid het leven aan al dat goede, nog vóór de voltooide hemel - met zijn bewoners natuurlijk - hier te blinken stond. En dat is de plaats waar de engelen hun ogen met hun vleugels bedekken voor de glans van zoveel majesteit. Letterlijk zegt Vondel dat het gebeurt voor de majesteit van alle glans. Ondertussen heffen ze de lofzang van de hemel aan en vallen uit eerbied in zwijm voorover. Vondel zegt die eerbied in twee woorden: eerbiedigheid, die de gewone eerbied is, maar ook vrees, die geen angst is maar het diepe gevoel van respect, opgewekt door de afstand tussen schepsel en schepper. Dan wordt de vraag herhaald: Wie is het? Waarop onmiddellijk de vragende imperatief volgt: noemt, beschrijft ons hem. Dat beschrijven moet met een veder van een Serafijn gebeuren. De veder was dan weer een pen, eerst een slagpen, maar dan ook een pen om te schrijven. De Serafijn wordt meestal als tweede in de rangorde van de engelen genoemd, uitzonderlijk vind je ze als eersten vermeld: serafijnen, cherubijnen, tronen, heerschappijen, machten, krachten, vorstendommen, aartsengelen, en engelen. In ieder geval moet de beschrijving van God gebeuren met een veder van de hoogste engelensoort. Dat is noodzakelijk om een dergelijk onderwerp waardig te behandelen. (Denk aan Gutenberg die meende gouden letters te moeten gebruiken om de bijbel te drukken, een dergelijk boek druk je niet met gewoon metaal). Tenslotte eindigt Vondel zijn gedicht met de vraag: Of schort het aan begrip en stem? Daarmee laat hij de engelen zich afvragen of er gebrek is aan begrip, dat wil zeggen aan inzicht, aan bevattingsvermogen, en gebrek aan stem, dat wil zeggen aan uitspraak, aan uitdrukkingsvermogen.

Het kost even moeite die ingewikkelde tekst van Vondel te verwerken tot hij ons gewoon lijkt. Maar dat moeten we eigenlijk bereiken. Wanneer de tekst ons als gewoon in de oren gaat klinken, kunnen we ons toeleggen op het waarderen van de manier waarop Vondel zijn tekst bouwt. Bij het lezen van gedichten is het van groot belang zelf de tekst mee te helpen ontstaan. Vondel zat voor een leeg blad. Hij had alleen zijn gedachten en visie in zijn hoofd, had vermoedelijk een schema opgesteld hoe hij dat toneelstuk zou indelen, en moest nu de Zang schrijven, een reizang voor het koor. Hoe kwam hij ertoe om met die vraag te beginnen: Wie is het...? Hij moet van plan zijn geweest deze koorzang in drie delen te laten verlopen: de vraag, het antwoord en een lofzang tot besluit. Het is zo vanzelfsprekend nu het er staat, maar zolang het blad leeg was, schoot het niemand te binnen om deze Zang te schrijven, alleen Vondel dacht eraan. Een soortgelijk geval is die grote klomp marmer waar mensen naar keken en ze zagen niet meer dan een klomp marmer. Alleen Michelangelo zag Mozes in die klomp steen en hakte hem eruit. Zo is het dat kunstwerken ontstaan. Eerst is er een grote lege plek. Dan komt een architect en ontwerpt de Angkor Vat. Ontzaglijk is dat. Het hoeft daarom niet zo groot te zijn. De Sagrada Familia is ook al goed of de Taj Mahal.
Elk van die kunstwerken ontstaat ergens. De "Lucifer" van Vondel ontstond bij een eerste schema en een eerste zin. Elk onderdeel ervan ontstond bij een eerste zin. Deze Zang eveneens.
Wie is het...? Daarop laat Vondel in vraagvorm de aanduiding van Gods eigenschappen en schepping volgen, vóór de schepping van de mens evenwel. Het is een schitterend sprookje, dat verhaal over de zondeval van een aantal engelen. Om aan de mensen het samengaan van goed en kwaad in de wereld uit te leggen is het prachtig uitgedacht. Reeds vóór de mens heeft het kwaad zijn ontstaan gevonden in de machtsdrang en hoogmoed van Lucifer. Sprookjes zijn vaak onbarmhartig. Het verhaal over Adam en zijn vermeende opstandigheid tegen God is even onverbiddelijk als goed verzonnen. Andere beschavingen, de oosterse onder andere, hebben een andere kijk op de natuur en haar onverbrekelijke eenheid van wat wij als goed en kwaad interpreteren. Vondel heeft zich een voorstelling willen maken van verondersteld bovenaards gebeuren. Hij heeft menselijke eigenschappen naar het overmatige gesublimeerd. Hij heeft Lucifer alle grootheid meegegeven die in zijn ogen mogelijk was. Om hem ten onder te laten gaan zoals het verhaal voorschrijft, moest hij hem één foutje meegeven, één gebrek: het kankergezwel van de machtsdrang. Dat gezwel leidt fataal naar de uitbarsting en naar Lucifers genadeloze ondergang.
Vondel weet dat je om ondergang te verduidelijken, eerst glorie en grootheid moet verheerlijken. Hij moet bovendien Lucifers grove fout zwaar onderstrepen. Schitterend doet hij dat door Gods heerlijkheid in alle kleuren in de verf te zetten. De vraag: Wie is het...? is niet anders dan een verheerlijking van de Schepper. Het is een veel prachtigere verheerlijking dan het antwoord dat Vondel zelf geeft in de Tegenzang. Ook in de Toezang, al is die nog zo prachtig, haalt Vondel nergens nog het poëtische peil van de Zang. Dat heeft een beetje te maken met onze menselijke gesteltenis: wij zijn niet geneigd om het antwoord dat anderen ons voorstellen te aanvaarden. We zijn zelfs niet geneigd dat antwoord te horen. In dat opzicht was de ervaring van Ortega y Gasset, de Spaanse filosoof, bijzonder tekenend. In openbare lezingen besprak hij de grote vragen van onze tijd. Zijn toespraken trokken zoveel mensen aan dat hij naar een grotere zaal moest verhuizen. Toen hij aan het einde van de reeks lezingen over "vragen" aankondigde dat hij de volgende keer "antwoorden" zou bespreken, zat de zaal niet voor de helft meer vol. Wij neigen ertoe het antwoord zelf te geven. Het voorgekauwde antwoord kan ons niet voldoen. Zeker geen antwoord dat te evident is. Vondel stelt zijn vraag zodanig dat hij als bekend veronderstelt waar hij naar vraagt. Dat is een tijd lang de pedagogische methode van sommigen geweest: de vraag zo stellen dat de leerling het antwoord er kan uithalen. Als een advocaat op de rechtbank zich dat veroorlooft, is de andere partij dadelijk gereed om te roepen: "Ik protesteer! Hij souffleert het antwoord!" In Vondels toneelstuk bestaat evenwel de veronderstelling dat de lagere engelensoorten nog niet zijn ingewijd in 'Gods geheimenissen' en nog niet tot de godsaanschouwing zijn toeglaten. Die stellen deze vraag bijgevolg aan de hoogste engelenorde, de serafijnen.
Vondel stelt de vraag schitterend: je loopt een volzin binnen, een gebouw gelijk een reusachtige tempel met zuilen aan alle kant en wisselend doorzicht langs zuilen naar andere zuilen tot je tenslotte door heel de tempel bent gewandeld en weet: nu heb ik het gezien, nu heb ik de grootsheid ervaren die doorheen dit machtige paleis vaart. Je bent aan het eindpunt van de bezichtiging gekomen, maar je draagt de herinnering mee aan ieder perspectief dat de zuilengangen je boden. Vanwaar je staat heb je - diep in jezelf - overzicht, al sta je vlak voor een zuil en zie je alleen maar steen. We herinneren ons vanwaar we kwamen en welke weg we hebben afgelegd. Bij het eindpunt is dat het belangrijke resultaat.

Het is goed om de tekst te herlezen: de gang van Vondels verzen is zo heel anders dan die in de verzen van zijn tijdgenoten. Vondel kent een superieure beheersing van het vers. Voor hem is het gedicht blijkbaar een natuurlijk middel om zich uit te spreken, zijn zinnen zijn niet gebonden aan het vers, bij herhaling stroomt de zin voort, het volgende vers in. Als je de zinnen neemt die hij schrijft en niet de verzen, dan ziet de schikking eruit zoals die aan het begin van deze tekst staat:



Wie is het, die zo hoog gezeten, zo diep in 't grondeloze licht,
door tijd noch eeuwigheid gemeten noch ronden,
zonder tegenwicht bij zich bestaat,
geen steun van buiten ontleent
maar op zich zelve rust
en in zijn wezen kan besluiten
wat om en in hem - onbewust van wanken -
draait en wordt gedreven om 't een en enig middelpunt:
der zonnen zon, de geest, het leven,
de ziel van alles wat gij kunt bevroên of nimmermeer bevroeden;
het hart, de bronaêr, de oceaan en oorsprong
van zo vele goeden als uit hem vloeien
en bestaan door zijn genade en alvermogen en wijsheid
die hun 't wezen schonk uit niet,
eer dit in top voltogen paleis, der hemelen hemel, blonk,
waar wij met vleugels de ogen dekken voor aller glansen Majesteit;
terwijl we 's hemels lofgalm wekken
en vallen uit eerbiedigheid, uit vrees, in zwijm op 't aanzicht neder?
Wie is het?
Noemt, beschrijft ons hem met ene serafijne veder.
Of schort het aan begrip en stem?

 




Wie Vondels zinnen correct leest, voelt de stuwing die door de verzen gaat, niet het houterige geklop van een vaste maat al is het gedicht keurig in viervoetige jamben geschreven. Dat is een maat van "te boem, te boem, te boem, te boem". Luister:

Een pánneken mét een hóuten stéel
gedráaid in 't húis van ónze Néel
dat wérd gestéld van éerst af áan
waar ál de ánder pótten stáan.

Dat is een licht gemoderniseerde versie van een strofe uit een gedicht van Pater Poirters uit de 18de eeuw. Het is duidelijk op die vaste maat geschreven, van enig ritme is in die zinnen geen sprake. Ook wie die strofe zo vlot mogelijk wil uitspreken blijft aan die maat gebonden. Het is ermee gesteld als met de moderne boem-boem muziek. De maat overheerst alles. Veel mensen noemen precies die maat ritme. Daar heeft het geen verband mee, het is maat, een vaste maatslag die van stuk tot stuk kan verschillen maar daarom niet minder vaste, harde maatslag blijft. In de literatuur bestaat ook niet alleen de maat die Vondel hier gebruikt, de jambe. Er bestaat de anapest, de trochee, de dactylus, en zoveel andere maten. Luister naar de anapest (de klemtoon in het woord duidt de maat aan: a-na-pest):

De geliefde die ooit in mijn armen mocht slapen...

Of een andere boem-boem-soort, de dactylus (dac-ty-lus)

Zon van mijn jeugd en mijn lieflijkste dromen...

En zo zijn er nog wel wat mogelijkheden. Vondels verzen kennen die gebondenheid en de maatslag niet. Vondel schrijft zinnen die bijna toevallig ook nog rijmende versregels zijn. Niemand behandelde de verzen met zo grote vrijheid en soepelheid.

Ik weet niet hoe iemand leert inzien dat Vondels gedicht werkelijk zulke hoogten bereikt. Ik weet niet hoe iemand die verzen leert aanvoelen, leert waarderen, leert smaken. Ik weet niet eens van mezelf hoe het gedicht in mijn leven is uitgegroeid tot het meesterlijkste wat ik ken. Een paar honderd gedichten ken ik - of kende ik - vanbuiten, mijn geheugen begint me de laatste jaren in de steek te laten. Zelden heb ik de moeite gedaan er een van buiten te leren, het kwam vanzelf, door eraan te denken. Je leest een prachtig gedicht, je bent erdoor geraakt, het zindert in je na. Je herleest het. Je leest een gedicht niet één enkele keer, zelfs minder goede gedichten heb ik altijd herlezen om zeker te zijn of ze wel minder goed waren. Het gebeurt dat je niet van de eerste keer de waarde van het gedicht herkent. Maar dat is een ander geval. Het gedicht dat je raakt en je zijn perfecties toont, blijft in je hoofd hangen. Bewust of onbewust wil je de verzen opnieuw horen, met de gegevens die je bijbleven herstel je de versregels, de strofen. Wanneer dat niet lukt, wordt de druk ondraaglijk zodat je de tekst opzoekt en verifieert wat er staat. Dat hoef je geen drie keer te doen voor je het gedicht vanbuiten kent. Op die manier ontstonden ze opnieuw in mij. De grote gedichten, de werkelijk waardevolle, lieten me niet los tot ik ze bij me had, in mijn hoofd, in mijn hart. Natuurlijk zijn het er nog altijd niet genoeg. Buiten degene die ik vanbuiten ken, zijn er in alle talen nog gedichten die ik graag vanbuiten had gekend. Van degene die ik wel van buiten kende willen sommige versregels me niet meer te binnen schieten, hele strofen soms. Zelfs als ik de tekst nakijk en hem weer meen te kennen, ontschieten de verzen me drie dagen later opnieuw. Soms heb ik me afgevraagd of ik die gedichten mooi vind omdat ik ze vanbuiten ken. Toch is het net andersom gegaan: alleen omdat ze prachtig zijn, volgden ze mij tot ik ze niet meer van mezelf kan onderscheiden.

Om op de visie terug te komen, je kunt de mensen het recht op een eigen visie niet ontzeggen. Tot zover gaat de democratie. Maar dat iedereen in staat is om de hogere visie van sommigen te volgen, dat is niet het geval. Dat is geen kwestie van democratie maar ten dele van begaafdheid en gave of gaven, en ten dele van de ontwikkeling daarvan. Iedereen heeft een potje gaven meegekregen, een beetje een rekbaar potje, je kunt het doen uitzetten. Sommigen hebben niet meer dan een klein potje meegekregen, anderen een ietwat groter, sommigen een veel groter, enkelen een heel groot. Als je ze allemaal vol giet, is er op één punt geen verschil meer tussen al die potjes en potten: ze zijn vol. Op het gebied van volheid is er geen verschil tussen het kleinste volle potje en de grootste volle pot. Vol is vol, en dan kan er geen druppel meer bij, elke volgende druppel loopt erover, zowel over de grote volle pot als over de kleine. Maar het is duidelijk dat in de grotere potten heel veel meer gaat dan in een klein potje. Op dat punt bestaat geen democratie. De behoeften van de grotere potten is nu eenmaal groter dan die van de kleine. Die zijn niet tevreden met wat boem-boem literatuur, die willen Vondel, de Lucifer. Die luisteren wel even naar wat boem-boem muziek, maar ze hebben behoefte aan hoger en meer, aan Bach, Bártok, Cabus. Daar ligt het criterium voor de grootte. De kleine potjes haken af. Die zijn vol, die begrijpen niet dat anderen grotere, vooral hogere behoeften kennen. Die druppel kan er niet meer bij. Ze kunnen vaak niet anders dan afwijzend staan tegenover wat hen te boven gaat. Nog ergerlijker is het als pot, of potje, leeg blijft, dan klinkt hij zo verschrikkelijk luid.

Het heeft weinig belang in welke spelling je de tekst leest, hoofdzaak is het begrijpen ervan. Voor de volledigheid en voor de historische plaatsing van de tekst volgt hij hier zoals Vondel hem liet publiceren:


Joost van den Vondel

Lucifer

 (I, Zang v.281-308)

Wie is het, die zoo hoogh gezeten,
Zoo diep in 't grondelooze licht,
Van tyt noch eeuwigheit gemeten,
Noch ronden, zonder tegenwight,
By zich bestaet, geen steun van buiten
Ontleent, maer op zich zelven rust,
En in zyn wezen kan besluiten
Wat om en in hem, onbewust
Van wancken, draeit, en wort gedreven,
Om 't een en eenigh middelpunt;
Der zonnen zon, de geest, het leven;
De ziel van alles wat ghy kunt
Bevroên, of nimmermeer bevroeden;
Het hart, de bronaêr, d'oceaen
En oirsprong van zoo vele goeden
Als uit hem vloeien, en bestaen
By zyn genade, en alvermogen,
En wysheit, die hun 't wezen schonck
Uit niet, eer dit in top voltogen
Palais, der heemlen hemel, blonck;
Daer wy met vleuglen d'oogen decken,
Voor aller glansen Majesteit;
Terwylwe 's hemels lofgalm wecken,
En vallen, uit eerbiedigheit,
Uit vreeze, in zwym op 't aenzicht neder?
Wie is het? noemt, beschryft ons hem,
Met eene Serafyne veder.
Of schort het aen begryp en stem?

                         Dr. Fa Claes



Terug naar Index